De Fries/Friesische (wadden)kust heeft tussen de nauwelijks begroeide slikken en de volledig begroeide
'hoge kwelder' (boven overloopkans ±50x/jaar) de deels begroeide 'lage kwelder'. Doordat de kleigrond daar zomers in op
basaltblokken
lijkende brokken scheurt die handmatig kunnen worden uitgetild en verplaatst, was daar al voorafgaande aan de
IJzertijd met
blote handen mogelijk wat eeuwen of mogelijk zelfs pas millennia later met ijzeren gereedschap ging gebeuren
en tot de komst
van de kunstmest begin vorige eeuw buitendijks doorging. Dat betrof zoute kweldergrond ontzilten met als nog
het meest
zichtbare van de daarvoor gemaakte en o.a. in Ferwerderadeel buitendijks gebleven kegen
(zomerpolders) hun
lage kaaien (kadijken, zomerkaden).
Zulke lage (zomer)kaden waren hoog genoeg om (door greppelen ontzilte) kweldergrond ontzilt te
houden
door
overlopen met zeewater te voorkomen als het 'kæige land' (keeg, koog, kaag) door indroging absorberend
kon zijn, d.w.z.
ongeveer het zomerhalfjaar.
Halfjaarlijkse afsluiters (Fry. kæi, Eng. key) die meer dan twee millennia niet hoger werden
gemaakt
om het
'bekaaide land' door overlopen met tijdens stormen slibrijk zeewater vruchtbaar te houden, daardoor al die
tijd langs de
Fries/Friesische kust veel grotere gras-/gewasopbrengsten dan op het 'oude land' houdend.
Voor er het hele jaar kunnen wonen stonden de boerderijen op wierden en Warften (koepelnaam terpen ) tot ze binnendijks van
een nabijgelegen 'voljaarlijkse' zeekering plaatsen mogelijk werd, daardoor de sindsdien tot de komst van de
kunstmest
nog buitendijks gemaakte kegen (zomerpolders) onbewoond houdend.
Maar op vondsten dateren deed de archeologen concluderen dat terpen eerder dan (kaai)dijken
ontstonden.
Voor hen als verschil kennelijk teveel om dat toe te denken aan minder vergankelijk zijn van de tot veel grotere
terpen plus in
de kaai(dijk)en ontbreken van bewoningsvondsten.
Gevolg was het maken van duizenden heechhiemen 'verhoogde erven' gaan toedenken aan de
zeekeringen nog
niet sterk genoeg kunnen maken tot schrijfwijzen zoals DIC, DICH, DIIC, DIK in toponiemen zoals
TUBANDIC en woorden zoals DICGRAVE verschenen.
Om hun hypothese vervolgens taalkundig ondersteund te zien in met name lemma dijk in het
Oudnederlands
woordenboek voor het tijdvak ±500-1200 verklaren met 'kunstmatig aangelegde waterkering', d.w.z. door falen
als taalkundigen
de door de archeologen toegedachte betekenis.
Plus door de waterstaters gesteund met volgens de deltanorm van (delta)dijken met een
grasbeklede binnenkant
beweren al kunnen doorbreken als de hoogste golfuitloper bij de kruin komt. Zelfs aan de Nederlandse kant van
de Fries/Friesische kust beweerd doordat het rijk verbouwen tot deltadijk volledig betaalde.
4.1
Voor- en nadelen van volstaan met kaai(dijk)en ofwel zomerkaden
4.2
Begin dijkaanleg volgens de archeologen, d.w.z. met voorbijgaan aan kaai(dijk)en