Verlies van beginklank hD- of D- bij afgeleide woorden van I.E. zoals
Fry. STEK ste(e)k betekenend hDIG, hDEIG, hDOIG
De beide voorgaande pagina's tonen tientallen woorden die met hun beginklank D- dichter bij de Indo-Europees
(Indo-Germaans) hD-
beginnende uitspraak bleven van de betekenis die in ons taalgebied overwegend ST- 'anlautend' werd.
Deze pagina draagt daar aanvullend aan bij met woorden die volgens mij hun beginklank hD-
danwel inmiddels D-
verloren als gevolg van daar het lidwoord de in horen en geschreven tekst met zijn
woordscheidende spaties
nog te weinig bekend was om ontstaan van zulke afvalligen te voorkomen.
Als metanalyse
door mijn Van Dale 2015 m.i. enkel aan oksaal toegekend voor wat die beginletter betreft plus aan
vier woorden
betreffende verliezen van hun beginklank N- vanwege aanhoren als lidwoorden een of den
hoge, versierde scheidingswand tussen koor en schip van een kerk, vaak dienend als galerij of
zangerstribune; (var.)doksaal, ≈ jubee. Etym.: 1441 ⇐me.Lat.
doxale, waarvan de d als lidwoord werd gezien
aak
groot, platbodemd, stevenloos binnenvaartuig voor het vervoer van
massagoederen. Etym.: 1520 <me.Lat. naca, de
begin-n viel weg onder invloed van het lidwoord, vgl. adder
adder
1. inheemse gifslang, met een holle giftand, herekenbaar aan de brede geschubde kop; 3. venijnig persoon.
Etym.: 1201-1250, naast Mnl. nadre; de n viel weg doordat men
deze aanzag
voor de laatste letter van het lidwoord,; (verwant met) Lat. natrix
[(water)slang]. Fry. njirre, Dui. Natter, mNed. nadre, oudEng. nædre
arrenslee
door een of meer paarden getrokken slee waarmee men over de sneeuw of het ijs rijdt, (syn.)ar, paardenslee. Etym.: 1740 (onteend aan)narrenslee, genoemd naar
het 'narren'tuig
met belletjes van het paard; de n viel weg doordat men deze aanzag voor de laatste
letter van het
lidwoord
avegaar
1. grote houtboor, die dient om wijde gaten te maken en die met een dwarsstang wordt rondgedraaid,
(syn.)egger, effer ; 2. grondboor, die dient om wijde gaten in de grond
te maken. Etym.: 1300, de oudste vorm was navegaar, de oorspr.
begin-n is weggevallen; het is een samenstelling van naaf + een woord met de bet. van
'speer′ (verg.
elger ), dus een scherp gepunte stok om een naaf uit te hollen
. Dankzij in nevenstaande middeleeuwse woorden de substantief nog aan Eng. dig toegekende
betekenis
steek gaan zien, kreeg ik oog voor daar de volgende tientallen nog aan kunnen toevoegen:
[1] VerPLAATSen (Fry. ferSTEKke) betr. AGRArisch werk, turf- en zoutwinning
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: akkers bebouwen, ploegen; [wF'92] 1. land in akkers indelen."het land op akkers leggen om
den afloop van
het water en . . . te bevorderen"(1869) 2. opperen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: 1. (niet alg.) augustus; 2. (de arbeid van) het inzamelen van te velde staande
gewassen; 3. het te
velde staande gewas dat binnengehaald moet worden
ebvD
1201-1250 'oogst', hetzelfde woord als augustus, de oogst is dus naar de maand
genoemd
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: 1. landbouwwerktuig best. uit een houten of ijzeren raam waarin in schuine richting houten of
ijzeren
pennen zijn gestoken om grove kluiten fijn te maken; 2. (bouwk.)egge
ebvD
1201-1250, van het werkwoord eggen ~Lat. occa
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: aalschaar (ww. elgeren: in ondiep water zeilen met een visboot met daaraan van onderen een
elger die de
bodem omwoelde en de zich daar bevindende palingen vastprikte)
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: 1. spitsmuisachtig insectenetend zoogdier dat van boven met stijve korte borstels bezet is en dat
zich bij gevaar
tot een bal oprolt en de stekels op zet. [wF'92] (var.)stikelbaarch
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: 1. uitwendig zichtbaar org. van het gezichtvermogen; 10. op een oog lijkende of daarmee
vergeleken opening
van
voorwerpen en gereedschappen; 17. holte in brood en kaas
vD'15: 1. gewest van het Frankische rijk; 2. (alg.) landstreek; 3. elk van de
territoriale eenheden van het Derde Rijk. (betekenis elders:
Romeins
GermaansTolkien)
ebvD
1280-1287, uiteenlopende vormen komen vooral in plaatsnamen voor, bv. het Gooi, Oostergo, Henegouwen,
Wolvega,
de vorm gouw ontstond uit de eerste naamval, terwijl gooi uit de verbogen naamval
voortkwam.
Etymologie onzeker.
2gouw
vD'15: 1. (niet alg.) weg langs een watering of sloot; 2. riviertje, wetering
ebvD
1401-1500, waarschijnlijk hetzelfde woord als gouw [gewest]