| Relevante woorden waarvan de herkomst bovendien nog door n-annexatie werd verduisterd | Etymolog verklaring | ||||
| neg(ge) | [vD'15]: 3. schuine of scherpe kant (m.n. van een beitel en een mes); 4. schuin ingesneden, vaak geprofileerde
dagkant van venster- of deuropening, (variant) negge, (syn.) egge, kantelaaf. | eb vD1846, van eg [scherpe kant], met de n van het voorgevoegde lidwoord een. | |||
| naarstig | [vD’15] 1. ijverig, vlijtig, bep. bij het volbrengen van een taak; 2. zorgvuldig, netjes | ||||
| neer | [vD’15] dorsvloer | eb vD1872 Lat. area met n uit de verbogen vorm van het lidwoord | |||
| nonkel | [vD’15] oom; (var.) nonk | eb vD<Fr. oncle met de n van voorafgaandnon | |||
| nagel | [vD'15] 1. hoornachtig bedeksel op de bovenzijde van de laatste vingerleden van voet en hand; 5. spijker met smalle kop; 6. wigvormige houten pen voor opsluiten van pen-/gatverbindingen; 7. klinknagel, draadnagel; 8. kruidnagel; 9. onderste. steelachtig versmalde deel van vele bloembladen. | eb vD1201-1250 ‘nagel aan het lichaam, spijker, kruidnagel' Lat. unguis, Gr. onux | |||
| neger | [vD'15] 1. zwarte; 2. afstammeling van in Amerika ingevoerde negerslaven (door sommigen als scheldwoord ervaren). | eb vD1644 (ontleend aan) Spaans, Port. negro [zwart] | |||
| nikker | [vD’15] [1] 1. (Germ. myth.) boosaardige watergeest die mensen naar zich toe trekt en laat verdinken; 2. duivel | eb vD1302 ‘watergeest, kabouter’ van een Indo-Eur. stam met de betekenis ‘wassen’, verg. Gr. nizein [wassen]. | |||
| [vD'15] [2] 1. (scheldwoord) zwarte; 2. schaakprobleem waarbij één zwarte pion vier verschillende zetten doet | eb vD1828 (ontleend aan) Eng. nigger | ||||
| nix | [vD’15] [1] (Germ. myth.) watergeest die jonge mensen naar zich toe lokt en laat verdrinken, (var.) nixe; (syn.) nikker | eb vD1824 (ontleend aan) Du. Nix | |||
| neuken | [vD'15] 1. stompen, stoten; 2. foppen, bedriegen, verneuken; 3. geslachtsgemeenschap hebben | eb vDEtym.: — | |||
| [vD'15] 1. zeuren; 2. hinderen | eb vD1762 (verwant met) Ndu. nöken [stoten] en Nla. nuk | ||||
| nuk | [vD'15] [1] 1. (meestal mv. nukken) vlaag van eigenzinnigheid | eb
vD1573, vermoedelijk van neuken [stoten]
| Woorden waarbij m.i. de aspiratie van
beginklank hD- tot klinker evolueerde
| Etymolog | verklaring | |
| edik | [vD'15] azijn, (var.) eek; ‖ Fry. jittik | eb vD1287, voor de etymologie vgl. azijn [=1285-1286 (ontleend aan) Oudfr. aisin (ontleend aan) Lat. acetum, de nevenvorm edik, Mnl. edic. etic is door metathesis (ontleend aan) acetumontstaan | |||
| eide | [wF'87] 1. landbouwwerktuig best. uit een raamwerk waarbij in schuine richting pennen zijn gestoken die na het ploegen over de akker worden gesleept om de grovere kluiten fijn te maken; Ned. egge, eg | ||||
| adductie | [vD'15] 1. toevoering; 2. beweging van ledematen naar de as van het lichaam toe | eb vD1658 < Lat. adduccio [het brengen naar] | |||
| toponiem in plaatsnamen zoals Edegem | |||||