hDιËC-4
hDιËC-6▶

Overige veranderingsvormen van beginklank hD- of D-

Relevante woorden waarvan de herkomst bovendien nog door n-annexatie werd verduisterd Etymolog
verklaring
neg(ge) [vD'15]: 3. schuine of scherpe kant (m.n. van een beitel en een mes); 4. schuin ingesneden, vaak geprofileerde dagkant van venster- of deuropening, (variant) negge, (syn.) egge, kantelaaf.
eb  vD1846, van eg [scherpe kant], met de n van het voorgevoegde lidwoord een.
naarstig [vD’15] 1. ijverig, vlijtig, bep. bij het volbrengen van een taak; 2. zorgvuldig, netjes eb1 eb2 vD1350, naast Mnl. ernstich [ernstig], de begin-n is ontstaan uit de n  in de verbogen vorm van het lidwoord
neer [vD’15] dorsvloer ebvD1872 Lat. area  met n  uit de verbogen vorm van het lidwoord
nonkel [vD’15] oom; (var.) nonk ebvD<Fr. oncle  met de n  van voorafgaandnon
nagel [vD'15] 1. hoornachtig bedeksel op de bovenzijde van de laatste vingerleden van voet en hand; 5. spijker met smalle kop; 6. wigvormige houten pen voor opsluiten van pen-/gatverbindingen; 7. klinknagel, draadnagel; 8. kruidnagel; 9. onderste. steelachtig versmalde deel van vele bloembladen. ebvD1201-1250 ‘nagel aan het lichaam, spijker, kruidnagel' Lat. unguis, Gr. onux
neger [vD'15] 1. zwarte; 2. afstammeling van in Amerika ingevoerde negerslaven (door sommigen als scheldwoord ervaren). ebvD1644 (ontleend aan) Spaans, Port. negro  [zwart]
nikker [vD’15] [1] 1. (Germ. myth.) boosaardige watergeest die mensen naar zich toe trekt en laat verdinken; 2. duivel eb   vD1302 ‘watergeest, kabouter’ van een Indo-Eur. stam met de betekenis ‘wassen’, verg. Gr. nizein  [wassen].
[vD'15] [2] 1. (scheldwoord) zwarte; 2. schaakprobleem waarbij één zwarte pion vier verschillende zetten doet ebvD1828 (ontleend aan) Eng. nigger
nix [vD’15] [1] (Germ. myth.) watergeest die jonge mensen naar zich toe lokt en laat verdrinken, (var.) nixe; (syn.) nikker eb   vD1824 (ontleend aan) Du. Nix
neuken [vD'15] 1. stompen, stoten; 2. foppen, bedriegen, verneuken; 3. geslachtsgemeenschap hebben eb   vDEtym.: —
[vD'15] 1. zeuren; 2. hinderen ebvD1762 (verwant met) Ndu. nöken  [stoten] en Nla. nuk
nuk [vD'15] [1] 1. (meestal mv. nukken) vlaag van eigenzinnigheid eb   vD1573, vermoedelijk van neuken [stoten]
Woorden waarbij m.i. de aspiratie van beginklank hD- tot klinker evolueerde Etymolog
verklaring
edik [vD'15] azijn, (var.) eek; ‖ Fry. jittik eb   vD1287, voor de etymologie vgl. azijn  [=1285-1286 (ontleend aan) Oudfr. aisin  (ontleend aan) Lat. acetum, de nevenvorm edik, Mnl. edic. etic  is door metathesis (ontleend aan) acetumontstaan
eide [wF'87] 1. landbouwwerktuig best. uit een raamwerk waarbij in schuine richting pennen zijn gestoken die na het ploegen over de akker worden gesleept om de grovere kluiten fijn te maken; Ned. egge, eg eb1 eb2 vDEtym.: —  
adductie [vD'15] 1. toevoering; 2. beweging van ledematen naar de as van het lichaam toe ebvD1658 < Lat. adduccio  [het brengen naar]
toponiem in plaatsnamen zoals Edegem
hDιËC-5
< 1600
< 1200
DEIKE
DIC
DICH
DICKE
DIE
DIEC
DIEK
DIIC
DIICH
DIJC
DIJC
DIJCH
DIJCK
DIJK
DIJX
DIK
DYC
DYK