Het woord doksaal ontstond volgens de taalkundigen door d-deletie van doksaal, d.w.z. door bij de oudeere uitspraak doksaal verdwijnen van de beginklank d als gevolg van daar het lidwoord de aan gaan toedenken toen taaloverdracht nog vrijwel alleen mondeling en daarmee zonder schriftelijk spatiëring plaats vond. Dat betekent de herkomst van onderstaande woorden beter verklaard krijgen bij niet langer negeren van de door Killians 16e woordenboek aan dijck, Dijck, dijcken, dijcker toegekende grondbewerkende en destijds vervenende betekenissen in plaats van door voor waar houden van de archeolische terpenverklaring het begin van de Nederlandse dijkbouw aan het Zeeuwse toponiem Tubandic gaan toedenken. En daardoor als 20e eeuwse redactie van het Oudnederlands woordenboek lemma dijk ruim duizend jaar eerder met "kunstmatig aangelegde waterkering" gaan verklaren dan de nevenstaande 18 middeleeuwse spellingen van dat woord die betekenis kregen.
[1] VerPLAATSen (Fry. ferSTEKke) betr. AGRArisch werk, turf- en zoutwinning
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: akkers bebouwen, ploegen; [wF'92] 1. land in akkers indelen."het land op akkers leggen om
den afloop van
het water en . . . te bevorderen"(1869) 2. opperen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: 1. (niet alg.) augustus; 2. (de arbeid van) het inzamelen van te velde staande
gewassen; 3. het te
velde staande gewas dat binnengehaald moet worden
ebvD
1201-1250 'oogst', hetzelfde woord als augustus, de oogst is dus naar de maand
genoemd
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: 1. landbouwwerktuig best. uit een houten of ijzeren raam waarin in schuine richting houten of
ijzeren
pennen zijn gestoken om grove kluiten fijn te maken; 2. (bouwk.)egge
ebvD
1201-1250, van het werkwoord eggen ~Lat. occa
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: aalschaar (ww. elgeren: in ondiep water zeilen met een visboot met daaraan van onderen een
elger die de
bodem omwoelde en de zich daar bevindende palingen vastprikte)
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: 1. spitsmuisachtig insectenetend zoogdier dat van boven met stijve korte borstels bezet is en dat
zich bij gevaar
tot een bal oprolt en de stekels op zet. [wF'92] (var.)stikelbaarch
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖)
vD'15: 1. uitwendig zichtbaar org. van het gezichtvermogen; 10. op een oog lijkende of daarmee
vergeleken opening
van
voorwerpen en gereedschappen; 17. holte in brood en kaas
vD'15: 1. gewest van het Frankische rijk; 2. (alg.) landstreek; 3. elk van de
territoriale eenheden van het Derde Rijk. (betekenis elders:
Romeins
GermaansTolkien)
ebvD
1280-1287, uiteenlopende vormen komen vooral in plaatsnamen voor, bv. het Gooi, Oostergo, Henegouwen,
Wolvega,
de vorm gouw ontstond uit de eerste naamval, terwijl gooi uit de verbogen naamval
voortkwam.
Etymologie onzeker.
2gouw
vD'15: 1. (niet alg.) weg langs een watering of sloot; 2. riviertje, wetering
ebvD
1401-1500, waarschijnlijk hetzelfde woord als gouw [gewest]