hDιËC-3
hDιËC-5 ▶

Verlies van beginklank D- door metanalyse

Het woord doksaal ontstond volgens de taalkundigen door d-deletie van doksaal, d.w.z. door bij de oudeere uitspraak doksaal verdwijnen van de beginklank d als gevolg van daar het lidwoord de aan gaan toedenken toen taaloverdracht nog vrijwel alleen mondeling en daarmee zonder schriftelijk spatiëring plaats vond. Dat betekent de herkomst van onderstaande woorden beter verklaard krijgen bij niet langer negeren van de door Killians 16e woordenboek aan dijck, Dijck, dijcken, dijcker toegekende grondbewerkende en destijds vervenende betekenissen in plaats van door voor waar houden van de archeolische terpenverklaring het begin van de Nederlandse dijkbouw aan het Zeeuwse toponiem Tubandic gaan toedenken. En daardoor als 20e eeuwse redactie van het Oudnederlands woordenboek lemma dijk ruim duizend jaar eerder met "kunstmatig aangelegde waterkering" gaan verklaren dan de nevenstaande 18 middeleeuwse spellingen van dat woord die betekenis kregen.
[1] VerPLAATSen (Fry. ferSTEKke) betr. AGRArisch werk, turf- en zoutwinning Etymolog
verklaring
akkeren
Koppelingen vmNw     mNw wNt   wNt wFt
Schrijfvormenackeren, akkeren, ackeren, akkeren akkerenikkerje,ekerje
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: akkers bebouwen, ploegen; [wF'92] 1. land in akkers indelen."het land op akkers leggen om den afloop van het water en . . . te bevorderen" (1869) 2. opperen
—   —
akker
Koppelingen oNw   vmNw   vmNw   mNw   mNw   wNt   wFt
Schrijfvormenakkar,ekkar acker,akker hacker acker ecker akker   ikker,eker (oudFry. ekker)
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. (afgeperkt) stuk bouwland, m.n. gedeelte van een stuk bouwland of weiland dat tussen twee voren of greppels ligt
ebvD 1210-1240 ~Lat. ager Gr. agros  [akker]
agger
Koppelingen oNw
Schrijfvormenagger
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

oNw: ingedijkt land
eb   —
agrarisch
Koppelingen oNw
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)
agra-, agri-, agro- landbouw betreffend, m.i. van pro-Latijn substraat   >  >
vD'15: 1. betrekking hebbend op de landbouw of de landbouwers; 2. landbezit betreffend
ebvD 1769 agrarius  [mbt. de landerijen]
egaliseren
Koppelingen wNt   wFt
Schrijfvormenegaliseeren   egalisearje
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. gelijkmaken, gladmaken; 2. vereffenen
eb   vD 1669 ⇐Fr. égaliser
egaal
Koppelingen wNt   wFt
Schrijfvormenegaallijk, egalig, egaal   igaal, yngaal, egaal
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 2. gelijk van oppervlak, effen
ebvD 1503 'gelijk' ⇐Fr. égal
oogst
Koppelingen vmNw mNw mNw mNw mNw wNt wNt wNt wFt
Schrijfvormenoghest,oegst,hoest oest ogest,ougst oochst oost oegst oest oogst risping
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. (niet alg.) augustus; 2. (de arbeid van) het inzamelen van te velde staande gewassen; 3. het te velde staande gewas dat binnengehaald moet worden
eb   vD 1201-1250 'oogst', hetzelfde woord als augustus, de oogst is dus naar de maand genoemd
[2] Steken (Fry. stekke) betreffend gerei/wapen Etymolog
verklaring
agger
Koppelingen wNt
Schrijfvormenagger
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: avegaar, wVlaams: lange houtboor om gaten in balken te boren
eb   vD 1401-1450 ‘werpspies', samengetrokken uit avegaar
aks:
Koppelingen  oNw    vmNw    mNw    mNw    wNt   wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. grote bijl, gebruikt door timmerlui en houthakkers; 2. primitief middeleeuws strijdwapen. (Var.) akst, aaks.
eb   vD901-1000 ~Du. Axt,, Lat. ascia
egge
Koppelingen   mNw     wNt     wNt     wNt   wFt     wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. landbouwwerktuig best. uit een houten of ijzeren raam waarin in schuine richting houten of ijzeren pennen zijn gestoken om grove kluiten fijn te maken; 2. (bouwk.) egge
eb  vD 1201-1250, van het werkwoord eggen ~Lat. occa
egge
Koppelingen wNt   wFt   wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

wF'92: 1. kant, zijde; 2. oever, waterkant; 3. scherpe, snijdende kant bij mes of zwaard
eb   vD van een IndoEuropese stam met de bet. ‘scherp zijn', waarvan ook Lat. acer  [scherp]
elger
Koppelingen mNw   wNt   wNt   wFt
SchrijfvormenFry. ielgear
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: aalschaar (ww. elgeren: in ondiep water zeilen met een visboot met daaraan van onderen een elger die de bodem omwoelde en de zich daar bevindende palingen vastprikte)
—   vD 1406, van Mnl. ael  [aal] + geer  [speer, werpspies]
[3] Bij of door dier, mens, boom enz. (uit)STEKen betreffend Etymolog
verklaring
egel
Koppelingen vmNw   mNw   mNw   wNt   wNt   wNt   wNt   wFt
Schrijfvormeneghel, igel, negel   ychel
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. spitsmuisachtig insectenetend zoogdier dat van boven met stijve korte borstels bezet is en dat zich bij gevaar tot een bal oprolt en de stekels op zet. [wF'92] (var.) stikelbaarch
eb   vD 1201-1250 ~Lat. anguis, Gr. echis  [slang], egel betekent eigenlijk 'slangeneter'
ekster
Koppelingen vmNw   vmNw   vmNw   vmNw   mNw   mNw   mNw   wNt   wNt   wFt
Schrijfvormenaecstre, ecstre, egestre, hicstre, aestre, aexter, exter, aakster   akke, ekster
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. kraaiachtige vogel met zwarte en witte veren; 3. (fig.) iemand, m.n. een vrouw die van glim­mende sieraden houdt. [wF'84: akke] 1. ekster; 2. kauw.
eb   vD 1287, wsch. verwant met eg [scherpe kant], in welk geval de vogel naar zijn snavel is genoemd.
eik
Koppelingen oNw   oNw   vmNw   mNw   mNw   wNT   wNT   wFt
Schrijfvormen:ek, eka, ēki, eke, eike, heecke, eek|| iik, eek,
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: inheemse boom die duurzaam hout levert, o.a. gezien als zinnebeeld van kracht
ebvD 1201-1250, ~Lat. aesculus   [wintereik]
eikel
Koppelingen vmNw   mNw   mNw   wNt   wNt   wNt   wFt
Schrijfvormenaker ekele. heckele, eekel +||; ikel, ekel
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

wF'87: Eikel, vrucht van de eikeboom, (var.) ikkel, ekkel.   [vD'15: eek] eikenschors
eb1 eb2 vD1201- 1250, verkleiningsvorm van eik
os
Koppelingen oNw   vmNw   mNw   wNt   wNt   wNt   wFt
Schrijfvormenosso, osse, ossen   okse
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. jong gecastreerde stier of bul, die men vetmest of als trekdier gebruikt
eb   vD 1201-1250 ~Gr. hugros  [vochtig], Lat. humor
ik vD'15:1. onderwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord voorn de eerste persoon enkelvoud; 2. de zelfstandige persoonlijkheid ebvD 900-1000 ~Lat. ego, Gr. egõ
ego
Koppelingen wNt   wNt
Schrijfvormenik-man
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

wF'92: Ik-man: egoïst, persoon die een hoge dunk van zichzelf heeft
 eb  vD1872 Fr. egoïsme, gevormd van Lat. ego [ik]
eega
Koppelingen wNt   wNt   wNt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: (komisch-deftig) echtgenoot of echtgenote, (var.) eegade
ebvD 1588, van Mnl. ee  [wet, huwelijk] + gade  (één van een paar)
oken
Koppelingen vmNw   mNw   mNw   wNt  
Schrijfvormenoken hoeken oeken,oocken,oecken ooken
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

wNt: vermeerderen, grooter, sterker maken
—   —
ook
Koppelingen oNw    vmNw    mNw    mNw    mNw    mNw    wNt   ||| wFt (1800)
Schrijfvormenouch,oug,ouh ak,hoec,oc,oec,oech ooc,och oke ooc,oec,oic,oock,oeck,oick,oc.aick n.v.t. ook ek, ik, yk (oudFry. āk, ēk )
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 2. evenzo, evenzeer; 5. dienovereenkomstig
ebvD 851-875 ~Du. auch ~Lat. augēre  [vermeerderen]
[4] Door steken uitgehold of daarmee vergeleken betreffend Etymolog
verklaring
aker
Koppelingen w ( )
met als spellingvarianten: + uit

vD'15: 4. kleine melkbus met zuigend deksel; [wF'84] Emmer, vooral om water te putten
eb   vD 1276-1300 ⇐me.Lat. aquarius  [lampetkan], van aqua [water]
oksel
Koppelingen oNw   vmNw   mNw   mNw   mNw   wNt   wFt   wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. holte onder de arm 3./4. de hoek gevormd door twee muren of plantendelen
ebvD 1201-1250 ~Lat. axilla en as
oog
Koppelingen oNw   vmNw   mNw   mNw mNw   mNw   wNt   wFt
Schrijfvormeneach, eech, êch
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. uitwendig zichtbaar org. van het gezichtvermogen; 10. op een oog lijkende of daarmee vergeleken opening van voorwerpen en gereedschappen; 17. holte in brood en kaas
eb   vD 901-1000 ~Lat. oculus
[5]  Toponiemen  ▲ ✖ 
egea, egoa, agea ±25 Friestalige toponiem-uitgangen, waarvan een kwart met tussen-r
ega, ego, aga ±25 Nederlandstalige toponiem-uitgangen, waarvan een kwart met tussen-r
ingea, inga, ingo ±10 toponiem-uitgangen met tussen-n
anders opgenomen Achlum, Ægum/Eagum, Akkrum, Akmaryp, Echten, Franeker/Froonacker, Ikkerwâld, Egels-/Ekelshoek
Met verlies van het gehele eerste woordlid Etymolog
verklaring
gea wF'90: 1. dorp, kerkdorp; 2. dorp met eromheen liggend land, streek; 3. landstreek, landschap eb   —
goa wF'90: Gouw, landstreek, deel van een provincie —   —
1gouw vD'15: 1. gewest van het Frankische rijk; 2. (alg.) landstreek; 3. elk van de territoriale eenheden van het Derde Rijk.   (betekenis elders:  Romeins   Germaans   Tolkien) ebvD 1280-1287, uiteenlopende vormen komen vooral in plaatsnamen voor, bv. het Gooi, Oostergo, Henegouwen, Wolvega, de vorm gouw  ontstond uit de eerste naamval, terwijl gooi  uit de verbogen naamval voortkwam. Etymologie onzeker.
2gouw vD'15: 1. (niet alg.) weg langs een watering of sloot; 2. riviertje, wetering ebvD 1401-1500, waarschijnlijk hetzelfde woord als gouw  [gewest]
hDιËC-4
< 1600
< 1200
DEIKE
DIC
DICH
DICKE
DIE
DIEC
DIEK
DIIC
DIICH
DIJC
DIJC
DIJCH
DIJCK
DIJK
DIJX
DIK
DYC
DYK