|
[1] Cognaat lemma STEKEN [vD'15] "met een puntig, scherp voorwerp, m.n. een wapen een steek geven, daarmee raken, verwonden of doden" | Etym. verkl. | ||||||||||||||||||||||||||||||||
| vlgs. hun w.boeken | Ge- volg | ||||||||||||||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ²degen |
| eb vD 1500-1536 <Du. Degen | 〉 | ||||||||||||||||||||||||||||||
| 4dag | vD'15: 1. (veroud.) ponjaard. Var. dagge | eb vD 1351-1400 'korte degen' <Fr. dague | |||||||||||||||||||||||||||||||
| goedendag |
De verbastering tot goedendag door Vlaamse taalstrijders bezorgde de wapenbenaming
cod-en-dag 'slag-en-steek' een mythische herkomstverklaring
Als Vlaams voetvolk in 1302 de Guldensporenslag ▶ van een
Frans ridderleger winnen, wordt vooral toegeschreven aan een bij duizenden door hun smeden gemaakt wapen ▶
▶. Dat deed
zijn aanvankelijke benaming cod-en-dag (slag-en-steek) eeuwen later tijdens de Vlaams/Franse taalstrijd
door verbastering tot goedendag mythisch worden (Ward van Osta "Nogmaals 'goedendag': een
etymologische gissing" ▶). Als verklaring
ondersteund door de schimpnaam koddebeier voor veldwachter (tijdens het lopen als beierende klokken
aan zijn riem slingeren van de kodde vernoemde het tweede woordlid).
eb —
| smeerdagge
|
|
De hypothese "misschien mag men uit dit woord tot een gebruik van dagge in den zin van spit besluiten" in het
hyperlink-
citaat onder de 'GTB-knop, doet mij voor woordlid smeer denken aan tijdens het braden dichtsmeren van
dagge genoemd vlees. Dat duidt op toen nog d- beginnende verwoording in ons taalgebied van Eng. steak en op vernoeming van die betekenis in het 2e
woordlid van Ned. biefstuk. Bron WNT-citaat was
Oudemans "Bijdrage tot een Middel- en Oudnederlandsch Woordenboek" (1870-1880).
— —
| houwdegen
|
|
Gecombineerd slag- en steekwapen zoals de Vlaamse goedendag
eb —
| | |||||||||||||||||||||||||
| [2] Cognaat lemma STEEK [vD'15]: "5. het insteken; het steken van of met een naald; 6. lus, doorgehaalde draad bij handwerken; 7. (zeew.) "knoop in een touw waardoor een lus wordt gevormd" | Etym. verkl. | ||||||||
| vlgs. hun w.boeken | Ge- volg | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ¹deken | vD'15: 1. rechthoekig kleed tot beschutting tegen de kou, m.n. zoals op een bed gebruikt. | eb vD1326-1350, van dekken | 〉 | ||||||
| dek | vD'15: 3. kleed voor dieren; 4. dekens en lakens van een bed; 5. wat het lichaam bedekt | eb vD1287 'bedekking, dak, dekmantel', van dekken | |||||||
| deksel | vD'15: 1. (niet alg.) wat tot dekking dient, hetzij in bed of als kleren; 2. . . . | eb vD1201-1250 ‘dak, deksel, dekmantel' ~Mnd. decksel | |||||||
| ¹doek | vD'15: 1. geweven stof van wol, linnen of katoen; 3. zeildoek | eb vD 1201-1250 ~Du. Tuch, een Germaans woord | |||||||
| dagtouw |
| eb — | |||||||
| 5dag | vD'15: 1. (zeewezen) eind touw, m.n. als strafwerktuig; (uitdr.) een eindje dag een pak slaag; 2. touw dat matrozen om het lichaam werd geslagen bij het leren klimmen. | eb vD etymologie onbekend | |||||||
| handdag | vD'15: (veroud.; zeewezen) dag die men gebruikt om te britsen | eb — | |||||||
| [3] Cognaat lemma STEEK [vD'15]: "12. met een hard werktuig griffen in de een of andere harde stof, graveren; 13. uitsnijden, uithouwen" | Etym. verkl. | |||||||||||
| vlgs. hun w.boeken | Ge- volg | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| daggen | vD'15: (niet alg.) de voegen van metselwerk afwerken | eb vDvan dag [eind touw] | 〉 | |||||||||
| 4dag | vD'15: 2. voegijzer. Var. dagge, dagijzer | eb vDetymologie onbekend (volgens vD'15) | ||||||||||
| ▽ M E T O N I E M ▽ | ||||||||||||
| duig | vD'15: 1. elk van de gebogen stukken hout waaruit de wand van een vat of kuip is samengesteld (soms ook van muziekinstrumenten); 2. hoev. hooi of stro die men ineens aan het vee geeft | eb vD 1286 <me.Lat. duga [gracht, vat, duig] <Gr. dochè | ||||||||||
| dogkar |
Vernoemd naar door uit steken van boomstam o.d. gemaakte uitholling voor personen, goederen
o.d. verplaatsen, aanvankelijk dragend (Eng. carrying, Ned. ver karren)
| — vD 1901-1925, Eng. | ||||||||||
| douche |
"Volstaan met een half woord noemen" bij vernoeming naar opvangbak voor water die aanvankelijk door uit steken van boomstam o.d. tot (bad)kuip werd uitgehold.
| eb vD1847, Fr. | ||||||||||
| ¹dook |
Doet denken aan "volstaan met een half woord noemen" bij dookanker, d.i. verankering van hekwerk e.d. aan
natuursteen d.m.v. daarin gestoken/uitgehouwen gat met tussenkomst van gegoten lood
| eb vD 1827, behoort bij duiken | ||||||||||
|
[4] Cognaat lemma STEEK [vD'15]: "10. stoten, duwen; 16. induwen, ergens in brengen (oorspronkelijk met een puntig voorwerp)" | Etym. verkl. | |||||||||||||
| vlgs. hun w.boeken | Ge- volg | |||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ¹deuken | vD'15: 1. een deuk of deuken maken; 2. (fig.) een duw, een knauw geven, nadeel doen | eb — | 〉 | |||||||||||
| ¹duiken |
2. (verkorting van)sportduike ; 3. zich naar een lager gelegen plaats begeven (al dan niet met het lichaam schuin voorover); 4. zich met een benedenwaartse beweging in iets verbergen, zich snel in iets hullen; 5. een samengebogen houding aannemen; 6. (boksen) snel voorover buigen ter ontwijking van een stoot; 7. (veroud.) onderduiken (als term tijdens WO II)
| eb — | ||||||||||||
| duik | vD'15: 1. het duiken; 2. (luchtvaart) duikvlucht | eb
vD
1287 | ||||||||||||
| dûkelder | wF'87: Fuut | — — | ||||||||||||
| duiker | vD'15: 8. koker onder een weg, door een dijk of dam, tot het afvoeren of inlaten van water; 10. spijker met kleine kop die geheel in het hout gedreven wordt | eb vD(etymologie ontbreekt) | ||||||||||||
| ²duiken | vD'15: 1. (mbt. personen) met het hoofd tegen de maagstreek van de tegenstander drukken en hem achteroverwerpen; 2. (kaartsp.) een lagere kaart spelen om de slag niet te halen. | eb vD1287 ~Eng.duck [eend], Du. tauchen, een Germaans woord | ||||||||||||
| ³dok | vD'15: (niet alg.) slag, stomp | eb vD (etymologie ontbreekt) | ||||||||||||
| ²dokken | vD'15: (niet alg.) 1. stoten; 2. door tasten onderzoeken. | eb vD 1599, klanknabootsende vorming | ||||||||||||
| 4dokken | vD'15: pannendaken van dokken voorzien. | eb — | ||||||||||||
| ²dok |
| eb vD 1477 'pop' ~Friesdok [bundel],Zw.docka [pop] | ||||||||||||
| dokker | vD'15: 1. zware, klotsende schoen | eb vD 1901-1925, afleiding vandokken [stoten] | ||||||||||||
| ¹daggeren | vD'15: zwaar of moeizaam stappen. Var. daggelen | eb vD etymologie onbekend (volgens vD'15) | ||||||||||||
| ²daggeren | vD'15: erotisch dansen, waarbij de danspartners neukbewegingen nabootsen | eb vD etymologie onbekend | ||||||||||||
| dekken | vD'15: 11. (van zoogdieren, m.n. van hengsten, stieren en reuen) bevruchten, bespringen | eb vD 901-1000 ~Lat. tegere [bedekken] | ||||||||||||
| dekker | wF'86: 2. de man als verrichter van de geslachtsdaad | — — | ||||||||||||