§5
hDιËC-4 ▶

Anlaut-verzachting hD- ➤ D- bij IG/IE hDIG, hDEIG, hDOIG (Du. stechen, stecken)

betr. andere stekende betekenissen dan (veen)grond (oudNed.) versteken

[1] Cognaat lemma STEKEN [vD'15]   "met een puntig, scherp voorwerp,
m.n. een wapen een steek geven, daarmee raken, verwonden of doden"
Etym. verkl.
vlgs. hun
w.boeken
Ge-
volg
²degen
Koppelingen mNw   wNt   wFt
Schrijfvormendegge, deggendegen, degge, deggerdegen, stekswurd
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: stootwapen met rechte, al of niet tweesnijdend, puntig toelopend gevest en kling
eb   vD 1500-1536 <Du. Degen
4dag
Koppelingen wNt
Schrijfvormendagk, dag, dagg, dagge
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. (veroud.) ponjaard. Var. dagge
ebvD 1351-1400 'korte degen' <Fr. dague
goedendag
Koppelingen mNw wNt
Schrijfvormengoedendach, godendacgodandardus, godardus godendac, goedendag
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: knots met ijzeren punten aan het dikke einde, middeleeuws wapen
De verbastering tot goedendag  door Vlaamse taalstrijders bezorgde de wapenbenaming cod-en-dag  'slag-en-steek'  een mythische herkomstverklaring
Als Vlaams voetvolk in 1302 de Guldensporenslag van een Frans ridderleger winnen, wordt vooral toegeschreven aan een bij duizenden door hun smeden gemaakt wapen  . Dat deed zijn aanvan­kelijke benaming cod-en-dag  (slag-en-steek) eeuwen later tijdens de Vlaams/Franse taalstrijd door verbastering tot goedendag  mythisch worden (Ward van Osta "Nogmaals 'goedendag': een etymolo­gische gissing" ). Als verklaring ondersteund door de schimp­naam koddebeier  voor veldwachter (tijdens het lopen als beierende klokken aan zijn riem slingeren van de kodde  vernoemde het tweede woordlid).
eb   —
smeerdagge
Koppelingen wNt
Schrijfvormensmeerdagge
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔ ▶✖)

wNt: scheldnaam voor een kok
De hypothese "misschien mag men uit dit woord tot een gebruik van dagge in den zin van spit besluiten" in het hyperlink- citaat onder de 'GTB-knop, doet mij voor woordlid smeer  denken aan tijdens het braden dichtsmeren van dagge genoemd vlees. Dat duidt op toen nog d- beginnende verwoording in ons taal­gebied van Eng. steak  en op vernoeming van die betekenis in het 2e woordlid van Ned. biefstuk. Bron WNT-citaat was Oudemans "Bijdrage tot een Middel- en Oudnederlandsch Woordenboek" (1870-1880).
—   —
houwdegen
Koppelingen wNt
Schrijfvormenhouwdegen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. degen om mee te houwen; 2. (fig.) vechter, vechtersbaas, sabreur
Gecombineerd slag- en steekwapen zoals de Vlaamse goedendag
eb   —
[2] Cognaat lemma STEEK [vD'15]: "5. het insteken; het steken van of met een naald; 6. lus, door­gehaalde draad bij handwerken; 7. (zeew.) "knoop in een touw waardoor een lus wordt gevormd" Etym. verkl.
vlgs. hun
w.boeken
Ge-
volg
¹deken
Koppelingen wNt wFt
Schrijfvormendeecken, deeken, dekenthecken, thekken, tecken, tekken
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. rechthoekig kleed tot beschutting tegen de kou, m.n. zoals op een bed gebruikt.
eb   vD1326-1350, van dekken
dek
Koppelingen wNt
Schrijfvormendec, dek
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 3. kleed voor dieren; 4. dekens en lakens van een bed; 5. wat het lichaam bedekt
eb   vD1287 'bedekking, dak, dekmantel', van dekken
deksel
Koppelingen wNt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. (niet alg.) wat tot dekking dient, hetzij in bed of als kleren; 2. . . .
eb   vD1201-1250 ‘dak, deksel, dekmantel' ~Mnd. decksel
¹doek
Koppelingen oNw   vmNw   mNw wNt wFt
Schrijfvormenduok, doec, doeke, doec, douc, duecdoekdok, dûk, doek
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. geweven stof van wol, linnen of katoen; 3. zeildoek
ebvD 1201-1250 ~Du. Tuch, een Germaans woord
dagtouw
Koppelingen wNt   wNt
Schrijfvormendagtouw
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

wNt: Een eind touw, bepaaldelijk als geeseltuig aan boord van schepen.
eb   —
5dag
Koppelingen wNt
Schrijfvormendagh, dag
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. (zeewezen) eind touw, m.n. als strafwerktuig; (uitdr.) een eindje dag  een pak slaag; 2. touw dat matrozen om het lichaam werd geslagen bij het leren klimmen.
eb   vD etymologie onbekend
handdag
Koppelingen wNt   wNt   wNt
Schrijfvormenhanddagge, handdag
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: (veroud.; zeewezen) dag die men gebruikt om te britsen
eb   —
[3] Cognaat lemma STEEK [vD'15]: "12. met een hard werktuig griffen in de een of andere harde stof, graveren; 13. uitsnijden, uithouwen" Etym. verkl.
vlgs. hun
w.boeken
Ge-
volg
daggen
Koppelingen wNt   wNt wFt
Schrijfvormendaggendaegje, daagje
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: (niet alg.) de voegen van metselwerk afwerken
ebvDvan dag [eind touw]
4dag
Koppelingen wNt   wNt;
Schrijfvormendag, dagge, dagijzer
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 2. voegijzer. Var. dagge, dagijzer
ebvDetymologie onbekend (volgens vD'15)
▽   M E T O N I E M   ▽
duig
Koppelingen vmNw   mNw wNt wFt
Schrijfvormendughe, duge, duyge, daugheduigdûge, dúge
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. elk van de gebogen stukken hout waaruit de wand van een vat of kuip is samen­gesteld (soms ook van muziekinstrumenten); 2. hoev. hooi of stro die men ineens aan het vee geeft
eb   vD 1286 <me.Lat. duga [gracht, vat, duig] <Gr. dochè
dogkar
Koppelingen  oNw ,  vmNw ,  mNw ,  wNt  wFt
Schrijfvormendogkar, dogkarre
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: tweewielig rijtuig, rug aan rug zittend, voor één paard. Var.dogcart, dokkaar
Vernoemd naar door uit steken van boomstam o.d. gemaakte uitholling voor personen, goederen o.d. verplaatsen, aanvankelijk dragend (Eng. carrying, Ned. ver karren)
—   vD 1901-1925, Eng.
douche
Koppelingen wNt wFt
Schrijfvormendouchedûs
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. bad onder neervallend water
"Volstaan met een half woord noemen" bij vernoeming naar opvangbak voor water die aanvankelijk door uit steken van boomstam o.d. tot (bad)kuip werd uitgehold.
eb   vD1847, Fr. doccia
¹dook
Koppelingen mNw (Kiliaan) wNt
Schrijfvormendaeckdôge, dogge, dook
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: staaf of bout die uitloopt op een vierzijdige, afgeknotte piramide, door de inkepingen en op­staande punten lijkend op een spar, dienend om hout aan steen of stenen te verbinden
Doet denken aan "volstaan met een half woord noemen" bij dookanker, d.i. verankering van hekwerk e.d. aan natuursteen d.m.v. daarin gestoken/uitgehouwen gat met tussenkomst van gegoten lood
ebvD 1827, behoort bij duiken
[4] Cognaat lemma STEEK [vD'15]: "10. stoten, duwen; 16. induwen,
ergens in brengen (oorspronkelijk met een puntig voorwerp)"
Etym. verkl.
vlgs. hun
w.boeken
Ge-
volg
¹deuken
Koppelingen wNt   wNt
Schrijfvormendeuken
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. een deuk of deuken maken; 2. (fig.) een duw, een knauw geven, nadeel doen
eb   —
¹duiken
Koppelingen vmNw   mNw   mNw wNt wFt
Schrijfvormenduken, duyckenduikendûke
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. zich (met een opzettelijke beweging) onder het wateroppervlak te begeven
2. (verkorting van)sportduike  ; 3. zich naar een lager gelegen plaats begeven (al dan niet met het lichaam schuin voorover); 4. zich met een benedenwaartse beweging in iets verbergen, zich snel in iets hullen; 5. een samengebogen houding aannemen; 6. (boksen) snel voorover buigen ter ontwijking van een stoot; 7. (veroud.) onderduiken (als term tijdens WO II)
eb   —
duik
Koppelingen vmNw   vmNw wNt   wNt   wNt   wNt   wNt
Schrijfvormenduke, duyck, duuc, dukincduik
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. het duiken; 2. (luchtvaart) duikvlucht
eb   vD 1287 (verwant met) Eng.duck  [eend], Du.tauchen, een Germaans woord
dûkelder
Koppelingen wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▲✖)

wF'87: Fuut
—   —
duiker
Koppelingen wNt wFt
Schrijfvormenduikerdûker
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 8. koker onder een weg, door een dijk of dam, tot het afvoeren of inlaten van water; 10. spijker met kleine kop die geheel in het hout gedreven wordt
eb   vD(etymologie ontbreekt)
²duiken
Koppelingen mNw wNt wFt
Schrijfvormenduyckenduikendûke
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. (mbt. personen) met het hoofd tegen de maagstreek van de tegenstander druk­ken en hem achteroverwerpen; 2. (kaartsp.) een lagere kaart spelen om de slag niet te halen.
ebvD1287 ~Eng.duck  [eend], Du. tauchen, een Germaans woord
³dok
Koppelingen wNt   wNt
Schrijfvormendok
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: (niet alg.) slag, stomp
eb   vD (etymologie ontbreekt)
²dokken
Koppelingen wNt
Schrijfvormendokken, (zuidNed.) djokken
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: (niet alg.) 1. stoten; 2. door tasten onderzoeken.
ebvD 1599, klanknabootsende vorming
4dokken
Koppelingen wNt   wNt
Schrijfvormendokken
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: pannendaken van dokken voorzien.
eb   —
²dok
Koppelingen mNw wNt
Schrijfvormendockedok, stroodok
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: strowis met gebonden kop voor tussen kieren van pannen steken voor het dak dichten
eb   vD 1477 'pop' ~Friesdok  [bundel],Zw.docka  [pop]
dokker
Koppelingen wNt
Schrijfvormendokker
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. zware, klotsende schoen
eb   vD 1901-1925, afleiding vandokken  [stoten]
¹daggeren
Koppelingen wNt
Schrijfvormendaggeren, deggeren
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: zwaar of moeizaam stappen. Var. daggelen
ebvD etymologie onbekend (volgens vD'15)
²daggeren
Koppelingen wNt
Schrijfvormendaggeren, deggeren
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: erotisch dansen, waarbij de danspartners neukbewegingen nabootsen
eb   vD etymologie onbekend
dekken
Koppelingen wNt wFt
Schrijfvormendecken, dekkendekke
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 11. (van zoogdieren, m.n. van hengsten, stieren en reuen) bevruchten, bespringen
eb   vD 901-1000 ~Lat. tegere  [bedekken]
dekker
Koppelingen wNt   wNt wFt
Schrijfvormendekkerdekker
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▲✖)

wF'86: 2. de man als verrichter van de geslachtsdaad
—   —
hDιËC-3
< 1600
< 1200
DEIKE
DIC
DICH
DICKE
DIE
DIEC
DIEK
DIIC
DIICH
DIJC
DIJC
DIJCH
DIJCK
DIJK
DIJX
DIK
DYC
DYK