[1] Dieren betreffend
Etym. verkl.
vlgs. hun w.boeken Ge- volg
daukert
Koppelingen
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
wF'87: regenworm, dauwpier
— —
〉
dog
Koppelingen
wNt
wNt
wFt
Schrijfvormen dog, dogge dog
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: grote kortharige hond met brede kop en staande oren.
eb vD
1546 'grote hond', Eng.
dogge
Koppelingen
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken
▶✖ )
wF'87: dog (soort grote hond). Var. dôge
eb —
das hond
Koppelingen
wNt
wNt
Schrijfvormen dashond
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: kleine kort-, ruw- of langharige hond met lang lijf en korte, buitenwaarts gekromde poten, op de
dassenjacht gebruikt
eb —
das
Koppelingen
vmNw
mNw
mNw
wNt
wFt
Schrijfvormen dahs, dos, das das das
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: 1. marterachtig zoogdier met gedrongen stevige romp; 3. (verkorting van) dashond
eb vD1287 (verw. aan) Lat.texere [timmeren, weven], de das is dus eigenlijk de bouwer.
[2] Mensen betreffend
Etym. verkl.
vlgs. hun w.boeken Ge- volg
dykdoller
GTB
wF'87: scheldwoord voor bewoner van het laagveengebied
— —
〉
¹diker
GTB
wF'87: dijkwerker, graver, polderjongen
J.H.Halbertsma, Lex Frisonum, 1869: "Hy yt as ien diker ved
slatter" (Lat. ved = Ned. of )
— —
dijker
Koppelingen
vmNw
mNw
wNt
wNt
Schrijfvormen dikere, dykre, diker dijcker, dijker
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: 1. iem. die dijken maakt, repareert enz.; 2. dijkweg-bewoner; 3. nozem v. Nieuwendijk
— —
dijk graaf
Koppelingen
vmNw
mNw
wNt
wNt
wNt
Schrijfvormen diekgraue, dîkgreve dijckgraef, dijkgraaf
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: voorzitter van dijkbestuur, polder- of waterschapsbestuur, (syn.) watergraaf
eb —
dogger
Koppelingen
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken
▶✖ )
wF'87: iemand die iets doet
— —
doge neat
Koppelingen
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken
▶✖ )
wF'87: deugniet. 1. slecht mens, booswicht; 2. ondeugend kind . Var. dogen(i)et, doochneat
— —
deug niet
Koppelingen
wNt
wNt
wFt
Schrijfvormen nietdeughen, nietdueghen deuchniet, deughniet, deuchdniet, deugeniet,
deugniet doochneat, doochnet dogeneat, dogenet
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: 1. slecht mens; 2. zeer ondeugende jongen. 3. iem. die wat plaagt. Var. deugeniet
eb —
[3] Werkwijze, doel e.d. betreffend
Etym. verkl.
vlgs. hun w.boeken Ge- volg
dyk sgoate
Koppelingen
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken
▶✖ )
wF'87: Greppel langs aarden wal, tussen percelen land. "Dy waerma dyksgoate
oan 'e heideseam"
— —
〉
dyk sgroppe
Koppelingen
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken
▶✖ )
wF'87: Greppel langs aarden wal, tussen percelen land. "Dêr waerd er . . . oer in beamwâl
hinneset en . . .yn in dyksgroppe klapt"
— —
dykswâl
GTB
wF'87: 1. wegkant; 2. kant van de aarden wal als afscheiding van percelen land.
— —
digerje dikerje
GTB
wF'87: 1. turen, met inspanning zien. In sommige streken, o.a. Dongeradeel en Ferwerderadeel, wordt verschil
gemaakt tussen digerje en dikerje . Digerje is dan met
inspanning in de verte zien, turen, en dikerje met inspanning zien naar iets dat dichtbij is.
— —
digerkykje
GTB
wF'87: staren, strak, wezenloos ergens naar kijken
Digerkykje (dikerkykje) betrof aanvankelijk zichten (uitzetten) voor greppels greppelen (digers digerje, dikers dikerje)
. Var. dik erkykje
— —
drain
Koppelingen
wNt
Schrijfvormen drain
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔ ▶✖ )
vD'15: 1. draineerbuis; 2. afvoerbuisje dat operatief in het lichaam aangebracht is
eb vD <Fr.drainer <Eng.to
drain
dikerskroade
GTB
wF'87: soort kruiwagen, door aard- en dijkwerkers gebruikt.
— —
dug -out
Koppelingen Geen GTB-lemmata
Schrijfvormen
—
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: (uitgegraven en overdekte) ruimte langs een speelveld voor trainer, reservespelers e.d.
eb vDna 1950, Eng. [lett. uitgegraven]
dok
Koppelingen
mNw
wNt
wFt
Schrijfvormen docke, dock, doc dok dok
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: 1. gegraven, van sluizen voorziene kom v. schepen maken en repareren 2. haven
eb vD
1525 'afgesloten kom waaerin men aan schepen werkte' ducta, ductus, doctus, doccia [waterloop,
kanaal, bassin, het weglopen van het water]
dogge
Koppelingen
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken
▶✖ )
wF'87: 1. schuilhoek, verborgen plaats, kuil, gat; 2. dauw. Var. dôge
— —
dieken
GTB
vD'15: Surinaams (Sranan )
1. graven; 2. (fig.) op onderzoek uitgaan
eb vD <Sranan, diki <Eng. dig
dijk
Koppelingen
oNw
vmNw
mNw
wNt
wNt
wFt
Schrijfvormen dic(k),dich,diec,diek,dig,diic(h),dijc(h),dij(c)k,dik,dyc(k),dyk dijk dyk
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: 1. opgeworpen aarden wal (vaak met steenglooiing versterkt) als waterkering langs of om enig
water (hoger dan een kade); 2. (niet alg.) weg; 3. (niet alg.) gegraven
water, sloot
eb vD
1156 'dijk, dam, maar ook poel, vijver', Mnl. dijc [dijk, dam, vijver] (verwant met) Lat.
figere [in iets steken en dan hechten], dus met de grondbetekenis steken, spitten
dijken
Koppelingen
vmNw
mNw
wNt
wNt
Schrijfvormen diken, dijcken dijcken, dijken
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: 1. bedijken; 2. een dijk of dijken maken; 3. (niet alg.) in lange rijen opstapelen
— —
[4] Kwaliteit e.d. betreffend
Etym. verkl.
vlgs. hun w.boeken Ge- volg
deug delijk
Koppelingen
vmNw
mNw
wNt
wNt
wFt
Schrijfvormen
dog(h)ede-, d(o)egde- dog(e)de-, duegde- -lic, -lijc, -lik-,-like(n)
doechde-, deuchde-, duechde-, duegde-, duechte-, dog(en)de-, dogent-, doochdent-, doechdent-,
duegent- -lijc
deugdelijk
deugdlik, deugdelik. deuchlik
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: 1. deugdzaam, braaf goed, degelijk; 2. van goede hoedanigheid; 3. aan alle vereisten voldoende; 4.
volkomen vaststaand eb vD
etymologie onvermeld
〉
dege lijk
Koppelingen
mNw
mNw
wNt
wNt
wFt
Schrijfvormen degelijc(k),degelik deeg,terdege,deeg(e)lyk,deg(h)elijck,degelijk
deeglik,degelik
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: 1. niet door uiterlijke schijn misleidend maar inderdaad zo dat het voldoet aan zijn bestemming, betrouwbaar, goed; 2. ferm, groot; 3. duchtig; 4.stellig, waarlijk
eb vD 1327, van deeg
duch tig
Koppelingen
mNw
wNt
wFt
Schrijfvormen duchtegh duchtich duchtigh, duchtig dugtig duchtich
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende
woordenboeken ➔▶✖ )
vD'15: niet gering, (syn.) stevig, flink, krachtig, geducht.
eb vD afgeleid vandeugen
degen
Koppelingen
mNw
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken
▶✖ )
wF'87: fan degen (oan) duchtig, eerst recht, pas goed; 'van het begin af aan, opnieuw'
— —
diger,diker
Koppelingen
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken
▶✖ )
wF'87: 1. nauwlettend, opmerkzaam; 2. nauwgezet, nauwkeurig, stipt, zorgvuldig; 3. flink, ijverig; 4. zuinig
— —
doge
Koppelingen
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken
▶✖ )
wF'87: 1. oppassend, braaf zijn; 2. bruikbaar zijn, geschikt zijn; 3. in orde zijn
— —
dien
Koppelingen
vmNw
mNw
mNw
wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken
▶✖ )
wF'87: (adjectief) gedaan 1. klaar, gereed; 2. afgelopen, uit. Voltooid deelwoord van werkwoord
dwaan
met 33 deelbetekenissen en vervoegingen zoals dogge en digen
— —