§5
hDιËC-3 ▶

Anlaut-verzachting hD- ➤ D- bij IG/IE hDIG, hDEIG, hDOIG (Du. stechen, stecken)

betreffende (veen)grond verplaatsen (Fry. ferstekke, oudNed. versteken)

[1]  Dieren betreffend Etym. verkl.
vlgs. hun
w.boeken
Ge-
volg
daukert
Koppelingen wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

wF'87: regenworm, dauwpier
—   —
dog
Koppelingen wNt   wNt wFt
Schrijfvormendog, doggedog
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: grote kortharige hond met brede kop en staande oren.
ebvD 1546 'grote hond', Eng.
dogge
Koppelingen wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ▶✖ )

wF'87: dog (soort grote hond). Var. dôge
eb   —
dashond
Koppelingen wNt   wNt
Schrijfvormendashond
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: kleine kort-, ruw- of langharige hond met lang lijf en korte, buitenwaarts gekromde poten, op de dassenjacht gebruikt
eb   —
das
Koppelingen vmNw   mNw   mNw wNt wFt
Schrijfvormendahs, dos, dasdasdas
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. marterachtig zoogdier met gedrongen stevige romp; 3. (verkorting van) dashond
ebvD1287 (verw. aan) Lat.texere [timmeren, weven], de das is dus eigenlijk de bouwer.
[2]  Mensen betreffend Etym. verkl.
vlgs. hun
w.boeken
Ge-
volg
dykdoller GTB  wF'87: scheldwoord voor bewoner van het laagveengebied —   —
¹diker GTB  wF'87: dijkwerker, graver, polderjongen
J.H.Halbertsma, Lex Frisonum, 1869:  "Hy yt as ien diker ved slatter" (Lat. ved = Ned. of )
—   —
dijker
Koppelingen vmNw   mNw wNt   wNt
Schrijfvormendikere, dykre, dikerdijcker, dijker
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. iem. die dijken maakt, repareert enz.; 2. dijkweg-bewoner; 3. nozem v. Nieuwendijk
—   —
dijkgraaf
Koppelingen vmNw   mNw wNt   wNt   wNt
Schrijfvormendiekgraue, dîkgrevedijckgraef, dijkgraaf
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: voorzitter van dijkbestuur, polder- of waterschapsbestuur, (syn.) watergraaf
eb   —
dogger
Koppelingen wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ▶✖ )

wF'87: iemand die iets doet
—   —
dogeneat
Koppelingen wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ▶✖ )

wF'87: deugniet. 1. slecht mens, booswicht; 2. ondeugend kind. Var. dogen(i)et, doochneat
—   —
deugniet
Koppelingen wNt   wNt wFt
Schrijfvormennietdeughen, nietdueghen
deuchniet, deughniet, deuchdniet, deugeniet, deugniet
doochneat, doochnet
dogeneat, dogenet
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. slecht mens; 2. zeer ondeugende jongen. 3. iem. die wat plaagt. Var. deugeniet
eb   —
[3]  Werkwijze, doel e.d. betreffend Etym. verkl.
vlgs. hun
w.boeken
Ge-
volg
dyksgoate
Koppelingen wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ▶✖ )

wF'87: Greppel langs aarden wal, tussen percelen land. "Dy waerma dyksgoate oan 'e heideseam"
—   —
dyksgroppe
Koppelingen wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ▶✖ )

wF'87: Greppel langs aarden wal, tussen percelen land. "Dêr waerd er . . . oer in beamwâl hinne­set en . . .yn in dyksgroppe klapt"
—   —
dykswâl GTB  wF'87: 1. wegkant; 2. kant van de aarden wal als afscheiding van percelen land. —   —
digerje
dikerje
GTB  wF'87: 1. turen, met inspanning zien. In sommige streken, o.a. Dongeradeel en Ferwerde­radeel, wordt verschil gemaakt tussen digerje  en dikerje. Digerje  is dan met inspanning in de verte zien, turen, en dikerje  met inspanning zien naar iets dat dichtbij is. —   —
digerkykje GTB  wF'87: staren, strak, wezenloos ergens naar kijken
Digerkykje (dikerkykje) betrof aanvankelijk zichten (uitzetten) voor greppels greppelen (digers digerje, dikers dikerje)
. Var. dikerkykje
—   —
drain
Koppelingen wNt
Schrijfvormendrain
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔ ▶✖)

vD'15: 1. draineerbuis; 2. afvoerbuisje dat operatief in het lichaam aangebracht is
eb   vD <Fr.drainer  <Eng.to drain
dikerskroade GTB wF'87: soort kruiwagen, door aard- en dijkwerkers gebruikt. —   —
dug-out
KoppelingenGeen GTB-lemmata
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: (uitgegraven en overdekte) ruimte langs een speelveld voor trainer, reservespelers e.d.
eb   vDna 1950, Eng. [lett. uitgegraven]
dok
Koppelingen mNw wNt wFt
Schrijfvormendocke, dock, docdokdok
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. gegraven, van sluizen voorziene kom v. schepen maken en repareren 2. haven
eb   vD 1525 'afgesloten kom waaerin men aan schepen werkte' ducta, ductus, doctus, doccia  [waterloop, kanaal, bassin, het weglopen van het water]
dogge
Koppelingen wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ▶✖ )

wF'87: 1. schuilhoek, verborgen plaats, kuil, gat; 2. dauw. Var. dôge
—   —
dieken  GTB  vD'15: Surinaams (Sranan) 1. graven; 2. (fig.) op onderzoek uitgaan eb   vD <Sranan, diki <Eng. dig
dijk
Koppelingen oNw   vmNw   mNw wNt wNt wFt
Schrijfvormendic(k),dich,diec,diek,dig,diic(h),dijc(h),dij(c)k,dik,dyc(k),dykdijkdyk
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. opgeworpen aarden wal (vaak met steenglooiing versterkt) als waterkering langs of om enig water (hoger dan een kade); 2. (niet alg.) weg; 3. (niet alg.) gegraven water, sloot
eb   vD 1156 'dijk, dam, maar ook poel, vijver', Mnl. dijc  [dijk, dam, vijver] (verwant met) Lat. figere  [in iets steken en dan hechten], dus met de grondbetekenis steken, spitten
dijken
Koppelingen vmNw   mNw wNt   wNt
Schrijfvormendiken, dijckendijcken, dijken
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. bedijken; 2. een dijk of dijken maken; 3. (niet alg.) in lange rijen opstapelen
—   —
[4]  Kwaliteit e.d. betreffend Etym. verkl.
vlgs. hun
w.boeken
Ge-
volg
deugdelijk
Koppelingen vmNw mNw wNt  wNt wFt
Schrijfvormen dog(h)ede-, d(o)egde-
dog(e)de-, duegde-
-lic, -lijc, -lik-,-like(n)
doechde-, deuchde-, duechde-, duegde-, duechte-, dog(en)de-, dogent-, doochdent-, doechdent-, duegent- -lijc deugdelijk deugdlik, deugdelik. deuchlik
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. deugdzaam, braaf goed, degelijk; 2. van goede hoedanigheid; 3. aan alle vereisten vol­doende; 4. volkomen vaststaand
eb   vD etymologie onvermeld
degelijk
Koppelingen mNw   mNw wNt   wNt wFt
Schrijfvormendegelijc(k),degelikdeeg,terdege,deeg(e)lyk,deg(h)elijck,degelijk deeglik,degelik
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: 1. niet door uiterlijke schijn misleidend maar inderdaad zo dat het voldoet aan zijn bestemming, betrouwbaar, goed; 2. ferm, groot; 3. duchtig; 4.stellig, waarlijk
eb   vD 1327, van deeg
duchtig
Koppelingen mNw wNt wFt
Schrijfvormenduchtegh duchtichduchtigh, duchtig dugtigduchtich
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ➔▶✖)

vD'15: niet gering, (syn.) stevig, flink, krachtig, geducht.
eb   vD afgeleid vandeugen
degen
Koppelingen mNw wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ▶✖ )

wF'87: fan degen (oan) duchtig, eerst recht, pas goed; 'van het begin af aan, opnieuw'
—   —
diger,diker
Koppelingen wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ▶✖ )

wF'87: 1. nauwlettend, opmerkzaam; 2. nauwgezet, nauwkeurig, stipt, zorgvuldig; 3. flink, ijverig; 4. zuinig
—   —
doge
Koppelingen wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ▶✖ )

wF'87: 1. oppassend, braaf zijn; 2. bruikbaar zijn, geschikt zijn; 3. in orde zijn
—   —
dien
Koppelingen vmNw   mNw   mNw wFt
Schrijfvormen
(Betreffende bovengenoemde en de knoppen eb en vD betreffende woordenboeken ▶✖ )

wF'87: (adjectief) gedaan 1. klaar, gereed; 2. afgelopen, uit. Voltooid deelwoord van werkwoord  dwaan  met 33 deelbetekenissen en vervoegingen zoals dogge  en digen
—   —
hDιËC-2
< 1600
< 1200
DEIKE
DIC
DICH
DICKE
DIE
DIEC
DIEK
DIIC
DIICH
DIJC
DIJC
DIJCH
DIJCK
DIJK
DIJX
DIK
DYC
DYK