§5
hDιËC-2 ▶

Anlaut-verzachting hD- ➤ ST- bij IG/IE hDIG, hDEIG, hDOIG (Du. stechen, stecken)

betreffende (veen)grond verplaatsen (Fry. ferstekke, oudNed. versteken)

Onderstaande woordverklaringen ondersteunen mijn in par. 5 beschreven zienswijze dat lemma dijk overeenkomstig de door Killians 16e eeuwse woordenboek Nederlands-Latijn aan dijck, Dijck, dijcken, dijcker toegekende betekenissen had behoren te worden verklaard in het in 1998 resp. 2008 digitaal gepubliceerde Vroegmiddelnederlands Woordenboek (tijdvak 1200-1300) en het Oudnederlands Woor­denboek (gepretendeerd tijdvak 500-1200). En daarmee voor onze kant van de Noordzee voor nog ruim duizend jaar overeenkomstig de andere kant met de door Eng. dig (oudEng. dycinge) behouden betekenissen graven (ww) en steek (zn), d.w.z. akkerbouwende annex destijds vervenende beteke­nissen. Dat in plaats van door lemma dijk en zijn nevenstaande variant-spellingen zoveel eerder met "kunstmatig aangelegde waterkering" gaan verklaren de archeologen ondersteunend in met hun terpenverklaring alle (overloop)kennis uit ons land noen verdwijnen die ±100 generaties keeg­boeren hadden benut voor hun kegen (zomerpolders) vruchtbaar houden.
[1] PERSONEN betreffend Bestaande
etym.verkl.
stakker
Koppelingen wNt wFt
Schrijfvormenstakker, stakkerd, stakkertstakker, stakkert

vD'15: 1. beklagenswaardig, zielig persoon, ook zielig dier; 2. sukkel, stumperd, var. stakkerd
ety vD 1871 <No. stakkar  of stakkare  stafkarl   [lett. stokkerel, een rondzwervend bedelaar, iem met een bedelstaf] vgl. staf
stakkerd
Koppelingen
Schrijfvormen

vD'15: stakker
steker
Koppelingen mNw wNt wNt
Schrijfvormensteiker, stekersteker

vD'15: 3. arbeider die de veenbagger in turven steekt
— —
stikker
Koppelingen wNt wNt
Schrijfvormenstikker

vD'15: 1. (veenderij) persoon die turf steekt: trappers, riemers en stikkers
— —
[2] WERKWIJZE betreffend Bestaande
etym.verkl.
steken
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: 11. met een (scherpe) spade uitgraven
ety vD1236 (v.a.) Lat.instigare  [aansporen, prikkelen], Gr.stizein  [steken]
²stekken
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: 1. takjes afsnijden en in aarde of water zetten, vóór zij zelf wortels hebben; 2. door stekken vermeerderen; 3. (niet alg.) staken of stekken steken tot steun van gewassen
³stikken
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: 3. (veenderij: de eerst door het riemen in de lengte gesneden veengrond) dwars doorsteken
stekke
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

wF'05: 6. met een scherpe spade of iets dergelijks uitgraven, spitten, losmaken
versteken
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: 1. op een andere PLAATS steken; 2. (zeewezen) touwen anders of ELDERS vastleggen
(Zeeland: versteeklijn = touw voor een rechte lijn uitzetten langs akkers, greppels, paden e.d.)
ferstekke
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

wF'05: 1. op een andere PLAATS steken; verPLAATSen ;  2. een dier verPLAATSen, de tuierpen op een andere plaats in de grond steken; 3. zich verbergen
stikkerje
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

wF'05: turfsteken met een stikker
³stokken
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: blijven steken, niet verder kunnen, ophouden te werken
stuccen
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: stuken
stuiken
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: 1. (niet alg.) stoten; 7. door een stoot neerwerpen; 8. (kindersp.) knikkers, noten enz. met kracht in een kuiltje werpen; 10. (niet alg.) vallen, neerstorten
stuken
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: pleisteren, var. stuccen. Mijn herkomstverklaring: leemgrond verPLAATSen (Fry. ferSTEKke ▶✖
stuik
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: 7. (niet alg.) neerwaartse vlucht ≈duik
stuk
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15:15. (Vl.: niet alg.) lap grond, perceel; akker. (Uitdr.) op zijn stuk staan
[3] GEREI betreffend Bestaande
etym.verkl.
stek
Koppelingen oNw   vmNw   vmNw   mNw   mNw wNt  wNt  wNt wFt
Schrijfvormenstakjo, stekko, stecke, stec, steckstek, stikstek

vD'15: 6. lange, smalle spade om klei mee te steken; 11. bergPLAATS, houtstek; 12. (sportviss.) voerPLEK, veelal verkleinvorm stekkie ; 13. PLAATS waar iemand pleegt te verkeren
ety vD1201-1250 'staak, stok', van steken, kreeg in het Ned. de huidige engere betekenis.
stek wF'05: 6. lange, smalle spade om klei mee te steken; 7. hoeveelheid grond die men in een keer met spade steekt of uitsteekt; 10. visrijke PLAATS
steek
Koppelingen oNw   vmNw   mNw wNt   wNt wFt   wFt
Schrijfvormenstike, stekesteek(ofri. steke) stek

vD'15: 11. spade met een zwak cilindervormig gebogen blad
ety vD
stekker
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

wF'05: 6. grote soort veenspade
¹stik
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: (niet alg.) scherpe spade ≈ elger
stikijzer
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: stikschop.
stikker
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: 2. (veenderij) grote soort van veenspade (syn.) stikschop. [wF'05] grote soort van veenspade
stikschop
Koppelingen oNw
Schrijfvormen

vD'15: stikker, veenspade
hDιËC-1
< 1600
< 1200
DEIKE
DIC
DICH
DICKE
DIE
DIEC
DIEK
DIIC
DIICH
DIJC
DIJC
DIJCH
DIJCK
DIJK
DIJX
DIK
DYC
DYK