Onderstaande woordverklaringen ondersteunen mijn in par. 5 beschreven zienswijze dat lemma dijk overeenkomstig de door Killians 16e eeuwse woordenboek Nederlands-Latijn aan dijck, Dijck, dijcken, dijcker toegekende betekenissen had behoren te worden verklaard in het in 1998 resp. 2008 digitaal gepubliceerde Vroegmiddelnederlands Woordenboek (tijdvak 1200-1300) en het Oudnederlands Woordenboek (gepretendeerd tijdvak 500-1200). En daarmee voor onze kant van de Noordzee voor nog ruim duizend jaar overeenkomstig de andere kant met de door Eng. dig (oudEng. dycinge) behouden betekenissen graven (ww) en steek (zn), d.w.z. akkerbouwende annex destijds vervenende betekenissen. Dat in plaats van door lemma dijk en zijn nevenstaande variant-spellingen zoveel eerder met "kunstmatig aangelegde waterkering" gaan verklaren de archeologen ondersteunend in met hun terpenverklaring alle (overloop)kennis uit ons land noen verdwijnen die ±100 generaties keegboeren hadden benut voor hun kegen (zomerpolders) vruchtbaar houden.
vD'15: 1. takjes afsnijden en in aarde of water zetten, vóór zij zelf
wortels hebben; 2. door stekken vermeerderen; 3. (niet alg.) staken of stekken steken tot
steun van gewassen
vD'15: 1. op een andere PLAATS steken; 2. (zeewezen) touwen anders of
ELDERS vastleggen (Zeeland: versteeklijn = touw voor een rechte lijn uitzetten langs akkers, greppels,
paden e.d.)
vD'15: 6. lange, smalle spade om klei mee te steken; 11. bergPLAATS, houtstek; 12.
(sportviss.) voerPLEK, veelal verkleinvorm stekkie ; 13. PLAATS
waar
iemand pleegt te verkeren
etyvD1201-1250
'staak, stok',
van steken, kreeg in het Ned. de huidige engere betekenis.
stek
wF'05: 6. lange, smalle spade om klei mee te steken; 7. hoeveelheid grond die men in een keer
met spade
steekt of uitsteekt; 10. visrijke PLAATS