Webstek- / Sitemap
StekStrúner
Ψoordenboekje

  <   §3  
800-1200
+ <1600
—————
DIC
DICH
DICK
DIEC
DIEK
DIG
DIIC
DIICH
DIJC
DIJCH
DIJCK
DIJK
DIJX
DIK
DIKE
DYC
DYCK
DYK
DYKE
<   hDι:C   -3
§4   >
⇊   hDι:C   -4   ⇊

Lemma's met D-deletie (door een dergelijke beginklank voor lidwoord aanhoren)

Hij werd volgens [vD'15] "genoemd naar het 'narren'tuig met belletjes van het paard". Vanaf halverwege de 18e eeuw naast narrenslee  ook arrenslee  gaan heten, verklaart het woordenboek met "de n viel weg doordat men deze aanzag voor de laatste letter van het lidwoord". Een zodanige herkomstverklaring krijgen ook aak, adder  en avegaar  voor wat het (onbepaalde) lidwoord 'een' betreft, waarnaast deletie van de als (bepaald) lidwoord aangehoorde beginklank op de bijna 5000 pagina's m.i. alleen wordt toegekend bij oksaal  vanuit doksaal  ontstaan verklaren
aakgroot, platbodemd, stevenloos binnenvaartuig voor het vervoer van massagoederen. Etym.: 1520 <me.Lat. naca, de begin-n viel weg onder invloed van het lidwoord, vgl. adder
adder 1. inheemse gifslang, met een holle giftand, herekenbaar aan de brede geschubde kop; 3. venijnig persoon. Etym.: 1201-1250, naast Mnl. nadre; de n viel weg doordat men deze aanzag voor de laatste letter van het lid­woord,; (verwant met) Lat. natrix  [(water)slang]. Fry. njirre, Dui. Natter, mNed. nadre, oudEng. nædre
arrenslee door een of meer paarden getrokken slee waarmee men over de sneeuw of het ijs rijdt, (syn.) ar, paardenslee. Etym.: 1740 <narrenslee, genoemd naar het 'narren'tuig met belletjes van het paard; de n viel weg doordat men deze aanzag voor de laatste letter van het lidwoord
avegaar 1. grote houtboor, die dient om wijde gaten te maken en die met een dwarsstang wordt rondgedraaid, (syn.) egger, effer ; 2. grondboor, die dient om wijde gaten in de grond te maken. Etym.: 1300, de oudste vorm was navegaar, de oorspr. begin-n is weggevallen; het is een samenstelling van naaf + een woord met de bet. van 'speer′ (verg. elger ), dus een scherp gepunte stok om een naaf uit te hollen
oksaal hoge, versierde scheidingswand tussen koor en schip van een kerk, vaak dienend als galerij of zangers­tribune, (var.) doksaal, (synoniem) jubee. Etym.: 1441 ⇐me.Lat. doxale, waarvan de d als lidwoord werd gezien
. Maar door mijn verklaring voor Nederlands waterstaatsverleden in nevenstaande middeleeuwse attestaties (ver)steken  betreffende betekenissen gaan zien, betekende veel meer van dergelijke woorden aangereikt krijgen. Ook die zijn — naast de vele D- beginnende woorden — ondersteunend en 'eye-openend' voor mijn interpretatie van de door Kilians woordenboek in 1599 aan Dijck, dijcken  en dijcker  toegekende betekenissen. Onderstaande tabellen tonen slechts een greep daaruit:
Nederlands ‖ Frysk Aangehaalde  lemma-verklaring Bestaande
etymolog. verklaring
[1]  Fer-/verstekken (van stek  veranderen, verplaatsen, verzetten) van grond betreffend:
cultiveren, civiliseren, ontginnen, bewerken, ver-/bebouwen
akkeren ‖ ikkerje,ekerje
GTB-koppelingen:   vmNw   mNw   wNt   wNt
[wF'92] 1. land in akkers indelen."het land op akkers leggen om den afloop van het water en . . . te bevorderen" (1869) 2. opperen. ‖ [vD'15] akkers bebouwen, ploegen
 vD   ebk
akker ‖ ikker, eker
GTB-koppelingen:   oNw   vmNw   vmNw   mNw   mNw   wNt   wNt
[wF'92] Akker, strookvormig deel van bouw- of grasland tussen twee voren of greppels
 vD1210-1240 ~Lat. ager Gr. agros  [akker]  ebk
agra-, agri-, agro- landbouw betreffend, m.i. van pro-Latijn substraat   >  >  vD  ebk
egaliseren ‖ egalisearje  GTB  [vD'15] 1. gelijkmaken, gladmaken; 2. vereffenen  vD1669 ⇐Fr. égaliser  ebk
egaal ‖ egaal, igaal  GTB  [vD'15] 2. gelijk van oppervlak, effen  vD1503 'gelijk' ⇐Fr. égal  ebk
ook ‖ ek, ik, yk [vD'15] 2. evenzo, evenzeer; 5. dienovereenkomstig  vD851-875 ~Du. auch ~Lat. augēre  [vermeerderen]  ebk
akkefietje ‖ akkefy(t)sje [vD'15] 1. onaangename taak, opdracht, werk dat men niet graag of met tegenzin doet  vD stellig een verbastering uit het Latijn, waarbij fietje ⇐vita  [leven],
wellicht aqua vita(e)  [brandewijn] of ⇐acuta vita (acuta  [scherp, fel])
 ebk
akelig ‖ aaklik, akelik
GTB-koppelingen:   wNt (akelig)   wFt (aaklik)
[vD'15] 1. onaangename indruk makend op de zintuigen of het gemoed; 2. in hoge mate
 vD±1615, van Mnl. akel  [leed, onrecht] ~Eng. ache   en vermoedelijk ~Gr. agos   [bloedschuld]  ebk
 ‖ gea [wF'90] 1. dorp, kerkdorp; 2. dorp met eromheen liggend land, streek; 3. landstreek, landschap.  vD  ebk
 ‖ goa [wF'90] Gouw, landstreek, deel van een provincie  vD   ebk 
1gouw ‖ [vD'15] 1. gewest van het Frankische rijk; 2. (alg.) landstreek; 3. elk van de territoriale eenheden van het Derde Rijk.   Romeins >  Germaans >   Tolkien >  vD1280-1287, uiteenlopende vormen komen vooral in plaatsnamen voor, bv. het Gooi, Oostergo, Henegouwen, Wolvega, de vorm gouw  ontstond uit de eerste naamval, terwijl gooi  uit de verbogen naamval voortkwam Etymologie onzeker.  ebk
2gouw ‖ [vD'15] 1. (niet alg.) weg langs een watering of sloot; 2. riviertje, wetering  vD1401-1500, waarschijnlijk hetzelfde woord als gouw  [gewest]  ebk
[2]  (Fer)stekke/(ver)steken betreffend gerei voor bos- en grondontginning/-bewerking
aks, aaks ‖ akse [vD'15] 1. grote bijl, gebruikt door timmerlui en houthakkers; 2. primitief M.E.strijdwapen  vD  901-1000 ~Du. Axt,, Lat. ascia  ebk
eg, egge, eegde ‖ [vD'15] 1. landbouwwerktuig best. uit een houten of ijzeren raam waarin in schuine rich­ting houten of ijzeren pennen zijn gestoken om grove kluiten fijn te maken; 2. (bouwk.) egge  vD1201-1250, van het werkwoord eggen ~Lat. occa  ebk
egge, eg ‖ ich, igge
GTB-koppelingen:   wNt (eg)   wFt (ich)   wFt (ich)
[wF'92] 1. kant, zijde; 2. oever, waterkant; 3. scherpe, snijdende kant bij mes of zwaard.
 vDvan een IndoEuropese stam met de bet. ‘scherp zijn', waarvan ook Lat. acer  [scherp]  ebk
[3]   Bij of door dier, mens, boom enz. (uit)steken betreffend
egel ‖ yche [vD'15] 1. spitsmuisachtig insectenetend zoogdier dat van boven met stijve korte borstels bezet is en dat zich bij gevaar tot een bal oprolt en de stekels overeind zet. [wF'92] (var.) stikelbaarch  vD1201-1250 ~Lat. anguis, Gr. echis [slang], egel betekent eigenlijk 'slangeneter'  ebk
ekster ‖ akke, ekster [vD'15] 1. kraaiachtige vogel met zwarte en witte veren; 3. (fig.) iemand, m.n. een vrouw die van glim­mende sieraden houdt. [wF'84: akke] 1. ekster; 2. kauw.  vD1287, wsch. verwant met eg [scherpe kant], in welk geval de vogel naar zijn snavel is genoemd.  ebk
eik ‖ iik, eek [vD'15] inheemse boom die duurzaam hout levert, o.a. beschouwd als zinnebeeld van kracht  vD1201-1250, ~Lat. aesculus   [wintereik]  ebk
eikel, aker ‖ ikel, ekel [wF'87] Eikel, vrucht van de eikeboom, (var.) ikkel, ekkel.   [vD'15: eek] eikenschors. vD1201- 1250, verkleiningsvorm van eik ebkebk
os ‖ okse [vD'15] 1. jong gecastreerde stier of bul, die men vetmest of als trekdier gebruikt.  vD1201-1250 ~Gr. hugros  [vochtig], Lat. humor  ebk
ikke ‖ ikke [vD'15] onderwerpsvorm van het pers. voornaamwoord voor de eerste persoon enkelvoud.  vD900-1000 ~Lat. ego, Gr. egõ  ebk
ego ‖ ikman [wF'92] Egoïst, persoon die een hoge dunk van zichzelf heeft  vD1872 Fr. egoïsme, gevormd van Lat. ego [ik]  ebk 
eega ‖ [vD'15] (komisch-deftig) echtgenoot of echtgenote, (var.) eegade.  vD1588, van Mnl. ee  [wet, huwelijk] + gade  (één van een paar)  ebk
agger ‖ agger [vD'15] [1] vrij sterke, maar kortstondige rijzing van het zeewater gedurende de tijd van de eb, (syn.) naspui. [wF'84] Agger, naspui, navloed.  vD1856 ⇐Eng. eagre  [vloedgolf]  ebk
[4]  Door steken uitgehold of daarmee vergeleken betreffend
agger, egger ‖ [vD'15] avegaar (lemmaverkl. ➔intro), wVlaams: lange houtboor om gaten in balken te boren.  vD1401-1450 ‘werpspies', samengetrokken uit avegaar  ebk
aker ‖ aker, akker [wF'84] Emmer, m.n.vooral om water te putten; [vD'15] 4. kleine melkbus met zuigend deksel  vD1276-1300 ⇐me.Lat. aquarius  [lampetkan], van aqua [water]  ebk
oksel ‖ oksel [vD'15] 1. holte onder de arm 3./4. de hoek gevormd door twee muren of plantendelen  vD1201-1250 ~Lat. axilla en as  ebk
oog ‖ each, eech, êch [vD'15] 1. elk van de uitwendig zichtbare org. van het gezichtvermogen; 10. op een oog lijkende of daarmee vergeleken opening van voorwerpen en gereedschappen; 17. holte in brood en kaas  vD901-1000 ~Lat. oculus  ebk
[5]  Opgenomen in toponiemen
egea, egoa, agea±25 Friestalige toponiem-uitgangen, waarvan een kwart met tussen-r
ega, ego, aga±25 Nederlandstalige toponiem-uitgangen, waarvan een kwart met tussen-r
ingea, inga, ingo ±10 toponiem-uitgangen met tussen-n
anders opgenomen Achlum, Ægum/Eagum, Akkrum, Akmaryp, Echten, Franeker/Froonacker, Ikkerwâld, Egelshoek, Ekelshoek