Webstek- / Sitemap
StekStrúner
Ψoordenboekje

  <   §3  
800-1200
+ <1600
—————
DIC
DICH
DICK
DIEC
DIEK
DIG
DIIC
DIICH
DIJC
DIJCH
DIJCK
DIJK
DIJX
DIK
DIKE
DYC
DYCK
DYK
DYKE
 
hDι:C   -2  >
  ⇊   hDι:C   -1   ⇊

Ondersteunende en 'eye-openende' lemma's voor aan en bij nevenstaande
attestaties de gepalataliseerde beginbetekenis STEEK toe- en onderkennen

1.  STEKEN betreffend met uitzondering van grond e.d. van STEK veranderen

Woord Door [vD'15] en [wF'84-'11] aan zodanige woorden toegekende betekenissen Etym.verklaringen
BestaandSW
[1]  D- 'anlautend' gebleven vernoemingen van de betekenis die [vD'15] aan STEKEN toekent als
1. met een puntig, scherp voorwerp, m.n. een wapen een steek geven, daarmee raken, verwonden of doden
en aan STEKKEN als 1. steken met een wapen of een ander scherp voorwerp
DAGGE
Destijds geschreven, hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[wF'86] Dag, ponjaard.   [vD'15] → 4dag  
4DAG  GTB  [vD'15] (verouderd) 1. ponjaard | Var. DAGGE vD1351-1400 'korte degen' <Fr. dague ebk
²DEGEN
Destijds geschreven, hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
mNw     wNt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] stootwapen met rechte, al of niet tweesnijdende, puntig toelopende kling en gevest
vD1500-1536 <Du. Degen ebk
DIGEN  GTB  [wF'87] Degen
¹DEGEN
Destijds geschreven, hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
mNw     wNt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] (arch.) held, dapper krijgsman | HOUWDEGEN
[vD'15] 1. degen om mee te houwen (antoniem) stootdegen; 2. (fig.) vechter, vechtersbaas, sabreur
vD1265-1270 'knaap, koningszoon, ridder, held' ~Gr. teknon  [kind] ebk
²DEKEN
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
vmNw     mNw     wNt     wFt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] 1. voorzitter, overste, hoofd, van een gilde; 2. oudste; 3,4,5. rooms-kath. functies
vD1210 <Lat. decanus (hoofdman van tien) <Gr. dekanos ebk
DECAAN  GTB  [vD'15] 1. voorzitter van een universitaire faculteit; 2. persoon die op een middelbare school leerlingen resp, studenten adviseert vD1832 me. Lat. decanus  [hoofdman over tien] ebk
²DIAKEN
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
vmNw     mNw     wNt     wFt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] 1. (prot.) kerkelijk armenverzorger; 2. (r.-k.) iem. die de eerste hiërarchische wijding ontvangen heeft en daardoor mag dopen en huwelijken mag inzegenen.
vD 1201-1250 Laat-lat. diaconus ebk
²DAGEN  GTB  [vD'15] 1. voor het gerecht ontbieden; 2. ten strijde oproepen, tot een tweegevecht uitdagen vD1201-1250, van dag  in de betekenis ‘dag van de zitting' ebk
DAAGJE  GTB  [wF'86] II  1. dagvaarden; 2. uitdagen
DICHENJE  GTB  [wF'87] 1. sterk aandringen, dringend verzoeken; 2. ijveren, opkomen, pleiten voor
[2]  D- 'anlautend' gebleven vernoemingen van de betekenis die [vD'15] aan STEKEN toekent als
5. het insteken; het steken van of met een naald; 6. lus, doorgehaalde draad bij allerlei vrouwelijke handwerken;
7. (zeewezen) knoop in een touw waardoor een lus wordt gevormd
  en aan STEKKEN als 5. stikken, borduren
5DAG  GTB  [vD'15] (zeew.)1. eind touw, m.n. als strafwerktuig; (uitdr.) 'een eindje dag' een pak slaag; 2. touw dat matrozen om het lichaam werd geslagen bij het leren klimmen.   vDetymologie onbekend ebk
DEKSEL
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
wNt     wNt     wFt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] 1. wat tot dekking dient, hetzij in bed of als kleren
vD1201-1250 ‘dak, deksel, dekmantel' ~Mnd. decksel ebk
¹DEKEN  GTB  [vD'15] 1. rechthoekig kleed tot beschutting tegen de kou, m.n. zoals op een bed gebruikt. vD1326-1350, van dekken ebk
DEK
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
wNt     wFt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] 3. kleed voor dieren; 4. de dekens (en lakens) van een bed; 5. wat het lichaam bedekt.
vD1287 'bedekking, dak, dekmantel', van dekken ebk
¹DOEK
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
wNt     wNt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] 1. geweven stof van wol, linnen of katoen; 3. zeildoek
vD1201-1250 ~Du. Tuch, een Germaans woord ebk
[3]  Nog D- 'anlautend' vernoemd naar de betekenis die het “Etimologiewoordeboek van Afrikaans” STEEK toekent als
9. (plat) Geslagsgemeenskap hê, so genoem n.a.v. die in en uit beweging van die penis tydens geslagsgemeenskap
DEKKEN
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
wNt (9e verklaring) plus de woordcomponenten
DEKGELD (in vD'15: geld dat voor het dekken van een huisdier betaald wordt)
DEKHENGST (in vD'15: 1. hengst die voor dekken gebruikt wordt; 2. (fig.) seksueel zeer actieve man)
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] 11. (van zoogdieren, m.n. van hengsten, stieren en reuen) bevruchten, bespringen
vD 901-1000 ~Lat. tegere  [bedekken] ebk
DEKKE  GTB  [wF'86] 8. bevruchten, bespringen (van dieren)
DEKKER  GTB  [wF'86] 2. de man als verrichter van de geslachtsdaad
DAGGEREN  GTB  [vD'15] erotisch dansen, waarbij de danspartners neukbewegingen nabootsen vDetymologie onbekend ebk
¹DIRK  GTB  [vD'15] 1. touw waarmee de bezaansboom of de giek wordt op en neer gehaald; 4. (uitdr.) dat slaat als kut op dirk  'dat slaat nergens op, is onzin' | Dirk: mansnaam vD1838, vermoedelijk van de persoonsnaam Dirk ebk
DIRKEN  GTB  [vD'15] zich ontlasten, (syn.) poepen  (toont in Vla. betekenis neuken  de eerdere lemma-betekenis) vD1901-1925, wellicht van drek, met associatie met de persoonsnaam Dirk, Derk ebk
¹DIK  GTB  [vD'15] (uitdr.) op dik gaan  'zwanger worden' vD1220-1240 'dik, veelvuldig' ~Oudiers tiug, alleen in het Germaans en het Keltisch ebk
DEAKEROM  GTB  [wF'86] Voor den drommel, drommels. | Var. DIKEROM, DEALEÖM, DIVELOM
DOUK  GTB  [wF'87] 1. deuvik . . . 4. vlierhouten pijlpunt. "Dat sit, sei de faem, en hja hie in douk yn 't gat."
DûKELJE  GTB  [wF'87] 2. urineren
DûKEMAN  GTB  [wF'87] Liefkozende benaming voor kleine jongen. | Var. DOKKEMAN
DAK
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
wNt     wFt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] 1. het gehele samenstel dat de bedekking vormt van een huis of gebouw; 2. bedekking, dekstuk; 3. (mijnbouw) bovenkant van iedere ruimte in ondergrondse werken
vD1201-1250 'dak, dakstro', van dekken ebk
DEK
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
wNt     wNt     wFt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] 1. laag die of vlak dat vanboven iets afsluit
vD1287 'bedekking, dak, dekmantel', van dekken ebk
DEEK  GTB  [vD'15] door een waterloop aangespoelde ruigte. | Var. DAAK, DIEK vDna 1950, dialect. ook veek, vaak, diek, daak, van dekken, dus oorspr. ‘bedekking van het water'. ebk
[4]   D- 'anlautend' gebleven vernoemingen van de betekenis die [vD'15] aan STEKEN toekent als
13. uitsnijden, uithouwen   en  12. met een hard werktuig griffen in de een of andere harde stof, graveren
DUIG  GTB  [vD'15] 1. elk van de gebogen stukken hout waaruit de wand van een vat of kuip is samen­gesteld (ook die van sommige muziekinstrumenten); 2. hoev. hooi of stro die men ineens aan het vee geeft vD1286 <me.Lat. duga [gracht, vat, duig] <Gr. dochè ebk
DOUCHE  GTB  [vD'15] 1. bad onder neervallend water vD1847, Fr. doccia ebk
DOGKAR  GTB  [vD'15] tweewielig rijtuig voor één paard, waarin men rug aan rug zit. | Var. DOGCART,DOKKAAR vD1901-1925, Eng.ebk
DOUKSLIKJE  GTB  [wF'87] Van een bruiloft overgebleven spijzen en dranken gebruiken, waartoe armelui werden genodigd
¹DOOK  GTB  [vD'15] staaf of bout die uitloopt op een vierzijdige, afgeknotte piramide, door de inkepingen en opstaande punten lijkend op een spar, die dient om hout aan steen of stenen onderling te verbinden vD1827, behoort bij duiken ebk
4DAG  GTB  [vD'15] (verouderd) 2. voegijzer. | Var. DAGGE, DAGIJZER vDetymologie onbekend (volgens vD'15) ebk
DAACHIZER  GTB  [wF'86] Dag(ge), dagijzer, metselaarswerktuig, gebruikt voor het daagjen
DAGGEN  GTB  [vD'15] de voegen van metselwerk afwerken vDvan dag [eind touw] ebk
[5]  D- 'anlautend' gebleven vernoemingen van de betekenis die [vD'15] aan STEK toekent als 5. stok, aan STOK als
4. recht en doorgaans rond (althans niet plat) stuk hout  en aan STIK als 1. spade, 4. stuk, 5. stek, 6. stok
DOGGER
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
mNw     wNt     wNt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] 2. (meton.) kabeljauwvisser
vD1445 van Mnl.dogg(h)e  [kabeljauw] ebk
DOGGERSBANK  GTB  [vD'15] grote zandbank in de Noordzee, waar veel naar haring wordt gevist vDebk
[6]  Overige D- 'anlautend' gebleven vernoemingen van de betekenis die [vD'15] algemeen aan STEKEN toekent als
10. stoten, duwen   en  16. induwen, ergens in brengen (oorspronkelijk met een puntig voorwerp)
³DOK
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] slag, stomp
vD(etymologie ontbreekt) ebk
DEUK  GTB  [vD'15] 1. holte in een oppervlakte, veroorzaakt door een stoot; 2. holte aan de bovenzijde van een hoedenbol; 3. (informeel) slag, stomp vD1772 <Ned. duken, klanknabootsend woord ebk
DÛK
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
wNt     wFt     wFt
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[wF'87] I  1. deuk, holle instulping in glad oppervlak; 2. holle kant van de ziel van een fles
DûK  GTB  [wF'87] II  duik, het duiken
DUIKEN  GTB  [vD'15] 1. zich (met een opzettelijke beweging) onder de oppervlakte van het water begeven; 3. zich naar een lager gelegen plaats begeven vD1287 (verant met) Eng.duck  [eend], Du.tauchen, een Germaans woord ebk
DÛKEL  GTB  [wF'87] II Waterig, sompig land
DÛKELDER  GTB  [wF'87] Fuut
DUKDALF  GTB  [vD'15] in het water geplaatste zware paal, gesteund door vier tot acht schoorpalen, dienend om er schepen aan vast te leggen, of ter bescherming van bruggen en sluizen vD1671, waarschijnlijk een verbastering van Duc d'Albe  [de herttog van Alva], mogelijk een volksetymologie ebk
DUIKER  GTB  [vD'15] 8. koker onder een weg, door een dijk of dam, tot het afvoeren of inlaten van water vD(etymologie ontbreekt) ebk
²DOK
Destijds geschreven,hedentijds (soms onjuist) geïnterpreteerd. Dat werd mijn zienswijze betreffende de D- beginnende woorden onder deze koppelingen naar de 'Geïntegreerde Taaldatabank':
oNw=Oudnederlands (800-1200) vmNw=Vroegmiddelnederlands (1200-1300) mNw=Middelnederlands (1200-1600)
wNt=Woordenboek der Nederlandse Taal (1599➔)   wFt=Wurdboek fan de Fryske Taal (1800➔)
[vD'15] strowis met gebonden kop voor tussen de kieren van pannen steken om 't dak te dichten
vD1477 'pop' ~Friesdok  [bundel], Zw.docka  [pop] ebk
³DOKKEN  GTB  [vD'15] (met tegenzin) geld uitgeven vD1509 (ontl. aan) Rotw.docken  [geven] mogelijk <zigeunertaaldau  [geven], etymologie onzeker ebk
DUKKAH  GTB  [vD'15] (Nd.Afr.) mix van gehakte noten, zaden en kruiden, o.a. gebruikt om brood in te dippen vDArabischebk
DEEG  GTB  [vD'15] 1. dooreengekneed mengsel van enige vaste zelfstandigheid met een vloeistof waaruit men door verdere behandeling iets bereiden kan, met name zo'n mengsel van meel met . . . vD1201-1250 (verwant met) Lat.figura  [gedaante, vorm],fingere  [vormen, boetseren] ebk
¹DAGGEREN  GTB  [vD'15] zwaar of moeizaam stappen. | Var. DAGGELEN vDetymologie onbekend (volgens vD'15) ebk
DOKKER  GTB  [vD'15] 1. zware, klotsende schoen vD1901-1925, afleiding vandokken  [stoten] ebk
DÛKEL  GTB  [wF'87] I Egelskop
DOUK  GTB  [wF'87] 1. deuvik, pin in het spongat van een vat; 2. afsluitpin in een vaartuig
DUIKER  GTB  [vD'15] 10. spijker met kleine kop die geheel in het hout gedreven wordt vD(etymologie ontbreekt) ebk
DEGEL  GTB  [vD'15] 1. plaat die het papier tegen de letters drukt bij een (degel)pers; 2. rol (van typemachine) vD1573 <Lat.tegula  [dakpan, iets om te dekken] ebk
DIGITAAL  GTB  [vD'15] 1. op de vingers of tenen betrekking hebbend; 2. gegevens in numerieke vorm verwerkend vDna 1950 <Fr.digital ebk