logo
seewarring
Webstek-/Sitemap
StekStrúner
Ψoordenboekje

◀ §1
§2
800-1200
+ <1600
————
DIC
DICH
DICK
DIEC
DIEK
DIG
DIIC
DIICH
DIJC
DIJCH
DIJCK
DIJK
DIK
DIKE
DYC
DYCK
DYK
DYKE
§3

Over archeologisch witwassen van het Deltaplan

Voor met kaai(dijk)en willen volstaan millennia op terpen wonen

Omdat afbouwen van de Oosterscheldekering prevaleerde
Op 17 februari 1984 deelde premier Lubbers in het vrijdagse TV-gesprek mee dat een compromis met Friesland was bereikt over de deltadijk in Ferwerderadeel. Dat betrof de die week toegezegde bedijkingsconcessie voor de door mij bij de beide woordvoerders van een Kamermeerderheid bepleite mogelijkheid voor daar toch nog ontkomen aan Nederlands meest onlogisch gesitueerde deltadijk na als Regering situering ter plaatse van de buitenste (zomer)kaaien hebben afgewezen. Dat door aldaar een enkel agrarisch gebruikte polder te voorzien van een (waker)dijk van genoeg formaat om in combinatie met de (vrijwel) intact blijvende en slaperdijk wordende bestaande zeedijk aan de Deltawet te voldoen. Met als primeur iets afwijken van het Deltaplan-uitgangspunt dat dijken met een grasbeklede binnenkant ongeacht hun helling al kunnen doorbreken bij gaan overlopen. Maar na te zijn gewezen op daarmee halverwege de bouw van de Oosterscheldekering vernietiging van zijn bouwbesluit riskeren, werd dat risico verhuisd door de concessie met Friese instemming voor 100% deltadijk (het afgewezen plan B) kunnen verlenen▲ ✖.
kunt u ook in Ferwerderadeel nog met eigen ogen tot de komst van de kunstmest door boeren buitendijks gemaakte kaaien  zien. Zulke lage (zomer)kaden waren hoog genoeg om (door greppelen
Mijn etymologische verklaring van het middeleeuws als grabbelen  (Eng. to grab 'grijpen') geschreven greppelen  getuigt van aanvankelijk voor de grondverplaatsing hebben benut dat klei bij indroging in op basaltblokken lijkende brokken scheurt, waarbij Kiliaans woordenboek (1599) doet denken dat zelfs toen nog letterlijk en figuurlijk handiger dan door toepassing van gereedschap werd gevonden. Dat betekent tevens dat zulke 'halfjaarlijkse' zeekeringen reeds voorafgaande aan de ±2600 jaar geleden in die regio begonnen IJzertijd konden worden gemaakt.
ontzilte) kweldergrond ontzilt te houden door overlopen met zeewater te voorkomen als het 'kæige land' (keeg, koog, kaag) door indroging absorberend kon zijn, d.w.z. ongeveer het zomerhalfjaar. Halfjaarlijkse afsluiters (Fry. kæi, Eng. key) die meer dan twee millennia niet hoger werden gemaakt om het 'bekaaide land' door overlopen met tijdens stormen slibrijk zeewater vruchtbaar te houden, daar­door al die tijd langs de Fries/Friesische kust veel grotere gras-/gewasopbrengsten dan op het 'oude land' houdend. Voor er het hele jaar kunnen wonen stonden de boerderijen op wierden en Warften (koepelnaam terpen ) tot ze binnendijks van een nabijgelegen 'voljaarlijkse' zeekering plaatsen mogelijk werd, daardoor de sindsdien tot de komst van de kunst­mest nog buitendijks gemaakte kegen  (zomer­polders) onbewoond houdend.
Maar de huidige verklaring is dat de terpbewoners nog geen voldoende sterke zeekeringen konden maken tot de eerste schrijfvormen van dijk  als melding van hun toepassing in toponiemen en woorden zoals dicgrave  verschenen. Als verklaring door een monsterverbond van 3 vakgebieden overeind gehouden na kunnen ontstaan door een samenloop van omstandigheden. Allereerst doordat archeologisch op vondsten dateren terpen tot 1998 zo'n 1500 jaar eerder dan kaai(dijk)en ontstaan deed denken, vooral als gevolg van daarin ontbreken van bewoningsvondsten en door onoplettend afgraven contouren van een voorafgaand ter plaatse gemaakte kaai over het hoofd zien. Vervolgens als taalkundige bijdrage vooral lemma dijk  in het Oudnederlands woordenboek voor het tijdvak ±500-1200 een betekenis toekennen die doet denken dat 'terploos' wonen mogelijk makende zeekeringen al 700 jaar eerder dan zodanige vondsten werden gemaakt. Plus als Nederlandse waterstaters sinds de invoering van de deltanormen van zeekeringen met een grasbeklede binnenkant ongeacht hun helling gaan beweren al bij gaan overlopen kunnen doorbreken. Bovendien een Romeinse bijdrage
De aan primitiviteit van hun bewoners toegeschreven verklaring wordt bij vrijwel elk terpenartikel of -expositie 'onderbouwd' door het volgende (deels) uit een Romeins reisverslag te citeren, hoewel het een bezoek bij niet-boeren (rood gemarkeerd) en heel ergens anders betrof:
"We hebben besproken dat er in ieder geval in het oosten verschillende volkeren langs de kust van de oceaan wonen die het zonder bomen en struiken moeten stellen. Maar ook in het noorden hebben wij zulke volkeren gezien, te weten de Chauken, die men onderverdeelt in de Grote en Kleine Chauken. Twee keer per etmaal komt de oceaan daar met geweldige watermassa's over een onmetelijke afstand opzetten en bedekt eeuwig door de natuur omstreden gebied waarvan het onduidelijk is of het bij het vasteland hoort of deel uitmaakt van de zee. Daar bewoont dat arme volk hoge terpen of dammen die ze eigenhandig hebben opgeworpen tot de hoogste waterstand die ze hebben meegemaakt. Met hun hutten die ze er op hebben gebouwd lijken ze wel zeelieden wanneer water het omringende land bedekt maar schipbreukelingen wanneer het water zich heeft teruggetrokken. En ze jagen rondom hun hutten op vissen die met de zee mee vluchten. Ze kunnen geen vee houden en zich zoals naburige volkeren met melk voeden en omdat er in de wijde omtrek geen struikgewas groeit is het ze ten enenmale onmogelijk met wilde dieren te vechten. Van riet en moerasbies vlechten ze touw om visnetten van te knopen. Met de hand verzamelen ze slijk dat ze meer door de wind dan door de zon laten drogen en met deze turf verwarmen ze hun voedsel en hun door de noordenwind verkleumde lichamen. Ze drinken uitsluitend regenwater, dat ze in kuilen bij de ingang van hun huis bewaren. En deze volkeren spreken van slavernij als ze vandaag de dag door het Romeinse volk overwonnen worden! Zo gaat het inderdaad: het lot laat veel mensen in leven om ze te straffen."
Gevolg was onbekend raken van mijn bovenstaande verklaring voor als (keeg)boeren ruim twee millennia op terpen willen blijven wonen. Voor het onderdeel kaaien  (zomerkaden) betrof dat aanvullend:
  • dat ze al voorafgaande aan de IJzertijd letterlijk handig konden worden gemaakt op de overgang van begroeide naar onbegroeide kwelder doordat laatstgenoemde zomers in hanteerbare brokken scheurt
  • dat ze door benutting van de grote sterktebetekenis van de dijkhelling voldoende bestand tegen vaak en tot veel overlopen konden worden gemaakt voor door overlopen vruchtbaar houden om te kunnen volstaan met de voor ontzilten benodigde kadehoogte
  • dat ontstaan van een wortelmat de grasmat-bekleding verbazingwekkend sterk maakt
Eeuwen ontkomen aan het dijkbouwprincipe dat door volledig betalen toepassing kreeg, daarbij tweevoudig maximaal overdimensionerend.
Bijkomend was verloren gaan van de ooit voor diverse zegswijzen gegeven verklaring. Zoals detaalvarianten van "Wa net wol dike, moat wike" ongeveer vertalen met "Wie niet wil dijken, moet wijken" in plaats van met "Wie niet (keeg)boer wil worden, moet handelaar (wiking) worden". Zo ook dat de m.i. uit het zien van de agrarische kustactiviteiten voortgekomen uitspraak "Deus mare, Friso litora fecit" vrijwel nooit zoals er staat met "God maakte de zee, Friezen zijn (kust)rand" wordt vertaald
Allemaal zijn het valse vertalingen van het gezegde "Deus mare, Friso litora fecit", dat gezien het maar enkele eeuwen in Latijnse tekst voorkomen van de naam Friso voor Friezen een verband lijkt te hebben met het ca.700 tot stand komen van de Scola Frisonum te Rome (zie www.friezenkerk.nl/historie) en het ca.800 door Karel de Grote uitbrengen van de meestal Lex Frisionum genoemde Lex Frisonum. Dat wil zeggen een verband met de paar eeuwen waarin de Friezen als één van de vier Europese volken werden gezien en een sterke —vooral op handel en geloof gebaseerde— relatie onderhielden met de Kerk van Rome en Karel de Grote in Keulen. Met als eerste deel het schep­pingsverhaal van Genesis, best mogelijk dat dit gezegde ergens binnen die kerk ontstond binnen dat Karolingische tijdperk
, maar o.a. vermarkt tot "God created the sea, but the Dutch created Holland"
DELTARES, volgens eigen zeggen 's werelds toonaangevende instituut op het gebied van "Levees, Dikes and Waterdefences", permitteert zich op zijn website te beweren dat er een oud-Engels gezegde "God created the world, but the Dutch created Holland" zou bestaan: The Dutch have been building waterdefences for a thousand years now. No other country has such an enormous wealth of experience on this subject. Deltares is at the centre of this web of knowledge. We are specialised in literally every part of every type of dike, quay, dam or dune. This makes The Netherlands the global leader in the fight against – and in living with – water. An old-English saying is: God created the world, but the Dutch created Holland. The Dutch are proud to think that there's a lot of truth in that. More than half the country was reclaimed from below sea level and the fight against the water continues every day.
. En betekende wegkijken van met name Westergo's kuststrook tot Europa's dicht bevolkte gebieden hebben behoord
[uit ▲✖] Bernard Slicher van Bath vertelt iets over de bevolkingsdichtheid in de lage landen rond 900 in zijn "Geschiedenis: theorie en praktijk" blz 319 en verder. Van Bath haalt Halbertsma aan die beweerde dat in de Romeinse tijd alleen al in Westergo ca 20.000 mensen zouden zijn geweest. Volgens van Bath is dat aan de hoge kant. Het zou betekenen dat er 27 mensen per vierkante kilometer hebben gewoond. Vervolgens gaat hij weer naar de periode rond 900 en komt tot een inschatting voor heel Friesland van ca 30.000 inwoners. Voor Groningen ca 12.500 inwoners. Voor Friesland meent hij dat er in Westergo een dichtheid van 20 inwoners was per vierkante kilometer. Voor Oostergo 10 en voor het gebied van de Zevenwouden 4 inwoners per vierkante kilometer. Gemiddeld voor heel Friesland is dat ca 10 inwoners per vierkante kilometer, voor Groningen gemiddeld 5 inwoners..... Salland en Twente schat hij in op 5 en de gehele provincie Overijsel op 4 inwoners per vierkante kilometer. van Bath geeft ook een inschatting van het gebied rond St. Omaars...... 34 inwoners per vierkante kilometer. Alleen het gebied rond Parijs had meer inwoners per vierkante kilometer: 39. Beide laatste gebieden zijn volgens hem rond 900 de dichtstbevolkte gebieden van Europa.
.