Webstek- / Sitemap
StekStrúner
Ψoordenboekje

  <   §4  
§5
—————
koepelnaam
terp
uart
uert
war
ward
warf
warft
warp
warring
wart
weer
wer
werd
werp
wert
wierd
wierde
wiering
worp
wurt
A 1 >

Millennia op terpen wonen om met kaai(dijk)en te kunnen volstaan

De bewoners van de Fries/Friesische kust waren ruim twee millennia niet in staat tot zeekeringen maken. Dat werd onze minachtende verklaring voor daar vanaf ±2700 jaar geleden zolang blijven wonen op wat naast zijn vele (nevenstaande) benamingen terp als koepelnaam kreeg. Daarmee verdween door ±100 generaties (keeg)boeren op heechhiemen 'verhoogde erven' wonen met gezond boerenverstand toeschrijven aan hun kaai(dijk)en overlopend willen houden voor tijdens stormen slibrijk zeewater. Dat door het keren daarvan te beperken tot onderlopen van hun 'kæge land' (keeg, koog, zomerpolder) voorkomen tijdens het jaardeel met door indroging absorberend kunnen zijn van de bovengrond. Dus alleen gedurende het zomerhalfjaar keren was al genoeg om de door (d)akkeren (Fry. dikerje, ikkerje) ontzilte grondruggetjes te vrijwaren van weer voor enkele jaren te zout zijn.

Aan zulke boerenlogica zouden archeologen niet voorbij zijn gegaan als ze voor de vraag waren gesteld waarom aan op terpen wonen lage dijkjes maken voorafging. Evenwel waren die zoveel vergankelijker dan de veel grotere en bebouwde terpen, dat archeologisch op vondsten dateren hun focus op de omgekeerde vraag richtte. Daaraan droeg bij dat waterstaters van deltadijken gingen zeggen dat hun grasbeklede binnenkant ze niet tegen overlopen bestand doet zijn en dat die kant flauwer hellend maken daar niets aan verbetert. En de taalkundigen droegen bij door buiten beeld brengen van de door een in 1599 uitgebracht woordenboek ondermeer voor dijcker  gegeven verklaring. Want die verwoordde mijn zienswijze dat dankzij de zomers in kleigrond verschijnende droogtescheuren al voorafgaand aan de IJzertijd tegen heel wat overlopen bestand zijnde kaai(dijk)en konden worden gemaakt.

Vandaar als archeologen op terpen wonen gaan verklaren met toen nog geen voldoende sterke zeekeringen voor op terreinhoogte wonen kunnen maken. En dat in elk desbetreffend boek met een hun bewoners minachtend citaat uit een Romeins reisverslag 'onderbouwen'. Gevolg was de vroegmiddeleeuwse schrijfwijzen DIC, DICH, DIIC, DIK als voor de betekenis 'terploos wonen faciliterende zee(water)kering' ingevoerde benaming zien annex in daarvan voorziene toponiemen en woorden zoals dijkgraaf  die betekenis. En die daarmee als archeologen zelfs zo'n vier eeuwen eerder toekennen dan hun vondsten van zulk formaat zeekeringen staven én negerend dat die ook buiten de stadswallen  als benaming wal  hadden. Om daarmee tevens de antwoorden te verliezen op waarom Westergo tot Europa's dichtst bevolkte gebieden ging behoren en op hoe daar spicers van eerdere datering dan de oudste terpen konden worden gevonden.

Daardoor als archeologen op terpen wonen niet zoals in de eerste alinea verklaren, leidde tot samen met de taalkundigen en waterstaters onbekend maken als bewoners hebben benut gras­beklede dijkjes door hellingdosering naar behoefte overloopbestendig kunnen maken. Die optiek doet de in 1953 buiten de Fries/Friesische (terpen)terpenkust opgetreden dijkdoorbraken niet toeschrijven aan daar een als "salichheijt hanght aan de hoochte" aanbevolen dijkbouwprincipe blijven toepassen. En doet Lely en de opstellers van het in 1938 uitgebrachte Deltaplan waarderen in plaats van verwijten overstappen op het bij onze oosterburen doorgezette ('bruchsicher' maken vooropstellende) principe hebben tegengehouden. Aanvullend onderbouwende bijlagen:
  >  Kiliaans verklaringen (1599) van dijck, Dijck, dijcken, dijcker
  >  Voor- en nadelen van volstaan met vrijwel jaarlijks overlopende kaai(dijk)en/zomerkaden