Webstek- / Sitemap
StekStrúner
Ψoordenboekje

  <   §4  
§5
A 1 >

Forklaeijersplan onderbouwde Fries/Friesische doorbraakverklaring

Na al te zijn gezwicht voor de Friese acties voor toevoeging aan het Deltaplan van afdamming van de Lauwerszee, vcnd het rijk de Waddenzee te moeten besparen voor het verlenen van de in 1977 door Fryslân aangevraagde concessie voor het bij Ferwerderadeel bedijken van 4000 ha zomerpolders, kwelders en landaanwinningswerken (plan D). Maar de deltadijk er nabij de kwelderrand (plan C) of over de buitenste zomerdijken (plan B) aanleggen, voegde volgens de ambtelijk uitgebrachte rapporten onvoldoende landbouwwaarde toe voor de financiering van wat een geheel nieuwe deltadijk duurder was becijferd dan door realisering door versterken van de bestaande zeedijk (plan A). Daarmee dreigden zelfs de zomerpolders buitendijks te blijven en de bestaande (Middelzee)dijk cultuur­historisch en landschappelijk tot deltadijk te worden verminkt.

Het ontstaan van die situatie deed een door anderen 'ei van Columbus' genoemd plan bij mij opborrelen, dat in een basisrapport plus een supplement vergaand werd uitgewerkt en analoog aan 'vervenen' forklaeijersplan (Fry.klaei= Ned.klei) als benaming kreeg>. Het bepleitte de dichter bij de bestaande zeedijk gelegen grond akkerbouwkundig en dan met name voor poter­teelt te verbeteren door de daarvoor te kleiïge bovengrond af te tichelen (forklaeijen) en na enig trans­porteren in de vorm van een deltadijk te deponeren. In plaats van de gebruikelijke grotendeels van zand opgespoten deltadijk met een asfaltschil op de buitenkant een volledig van klei opgebouwde deltadijk in een ca. vier keer zo groot formaat als de bestaande (binnenin zandige) zeedijk. Voor ongeveer halve kosten een voor velen (veel) sterkere deltadijk, zelfs voor veel waterstaters bij het geven van hun mening buiten clubverband.

Door kiezen voor wat m.i. Nederlands sterkste deltadijk was geworden vooral ook de boerenbelangen dienen, was voor het waterschap echter te onhaalbaar. Om te beginnen doordat de 'deltanormen' de adviserende waterstaters deden beweren dat een dijk zonder asfaltbekleding geen superstorm-omstandigheden zou kunnen doorstaan
Het standpunt van het waterschap zal zijn versterkt doordat het evenals de andere Friese vastewal-waterschappen de deltadijk-uitvoering had uitbesteed aan de Provinciale Waterstaat van Friesland die vervolgens de directe leiding had gelegd bij een groot voorstander van de toepassing van asfaltbekledingen zoals hij ondermeer verwoordde met "Jammer genoeg kun je niet een hele dijk alleen met asfalt bekleden omdat dit materiaal de aan de onderkant van het buitentalud van een dijk veel voorkomende waterdruk van binnenuit, niet kan doorstaan." Daarmee toonde ook ing. Philipse aanhanger te zijn van de door de opstellers van de 'deltanormen' uitgesproken voorkeur voor volledig dubbelzijdig asfaltbekleeed uitvoeren van de deltadijken zoals ondermeer de dijk van Schiermonnikoog enkele decennia had tot verwering daarvan deed besluiten tot ombouw naar de huidige uitvoerings­wijze. Als jonge Zeeuw getuige van de gevolgen van de dijkdoorbraken van 1953 en vervolgens alleen maar de Zeeuws/Hollandse verklaring daarvoor horend in zijn leefomgeving en tijdens zijn studie aan een Zeeuwse HTS, zag hij het als zijn taak de Friese zeedijken zoveel mogelijk te besparen voor toepassing van gk-bekleding (grasmat-/kleibekleding).
Vervolgens doordat het toen nog vrijwel onbekend zijn met hun snelle verwering een onderhoudsvoordeel aan asfalt-dijkbekledingen deed toekennen (minder vaak hoeven opruimen van veek/drijfvuil). En daarmee annex dat daar geen cent voordeel voor het waterschap tegenover stond als gevolg van de 100%-financiering van de bouwkosten van deltadijken. Die overfinanciering kon daardoor zelfs hier bereiken waar hij voor werd ingesteld, namelijk door vasthouden aan de 'deltanormen' bijdragen aan overeind houden van de Zeeuws/Hollandse doorbraakverklaring.

Maar doordat hun bedijkingsplannen de Friese Staten veel belang deden hebben bij minder duur uitvoeren van de deltadijk in Ferwerderadeel, nam die in 1981 een motie aan voor uitvoering als zg. 'groene dijk'. En toen de Minister­raad eind 1983 besloot de door Fryslân ontactisch voor plan B aangevraagde concessie niet te verlenen, kon ik de vertegenwoordigers van een Kamermeerderheid tot pleiters maken voor nog vrijwel hetzelfde bereiken met een juridisch nog haalbare vorm van plan A. Gevolg was dat diezelfde Ministerraad Fryslân op vrijdag 17 februari 1984 een concessie toezegde voor over de zomerdijken aanleggen van een ±1,50m lagere dijk dan volgens de 'delta­normen'. Ruim voldoende voor de enkel agrarisch gebruikte nieuwe polder en als vóórdijk voldoende voor vrijwel zonder cultuurhistorische en landschappelijke aantasting van de bestaande zeedijk aan de Deltawet voldoen.

Van die beide politieke besluiten haalde het Kabinetsbesluit evenwel niet het stadium van een aanwijsbaar resultaat. Door te waarschuwen voor wat concessie-verlening volgens dat besluit zou doen erkennen, kon de waterstaat de Ministerraad bewegen tot alsnog verlenen van de concessie voor het eerder schriftelijk afgewezen plan B. Nog dat weekend kreeg Fryslân de concessie aldus toegezegd nadat Wiegel c.s. daar triomfantelijk mee hadden ingestemd, kennelijk niet beseffend daarmee te solliciteren naar de latere vernietiging door de Raad van State. Een chaotische zitting van de Kamercommissie de volgende (maandag)ochtend was het gevolg omdat de Minister de werkelijke reden voor de verandering van het Kabinetsbesluit niet mocht noemen, terwijl het aan tijd had ontbroken de voor­noemde partijwoordvoerders daar voorafgaande aan de vergadering voldoende over in te lichten >.

Door de aanvankelijke instemming met het Kabinetsbesluit te herzien, voorkwam de waterstaat het in Ferwerdera­deel alvast voor 1,50m in de etalage zetten dat de 'deltanormen' de deltadijken met een grasbeklede binnenkant – notabene bovendien onder toekenning van een lagere veiligheid – tot enkele meters hoger deden maken dan geheel asfaltbeklede deltadijken en alle Duitse dijken. Dat primair om een dergelijke conclusie niet te doen oproepen waar de nieuwe dijk zich opvallend lager dan de aansluitende deltadijken zou hebben getoond. En secundair om bespaard te blijven voor als waterstaat niet anders hebben kunnen antwoorden op daarover gestelde vragen dan dat de nieuwe dijk met minder hoogte kon volstaan omdat hem enige overloopsterkte was toegekend. Ferwerderadeel had daar maar aan te offeren met het krijgen van Nederlands dwaast gesitueerde deltadijk.

Dankzij dat Friese offer als gevolg van het doen veranderen van het Kabinetsbesluit, kon de waterstaat voor wat de hoogteberekening betreft voor alle Nederlandse dijken doen vasthouden aan de meters overdimensionerende 'delta­normen'. Dat het 'Forklaeijersplan' dan toch nog iets aanwijsbaars opleverde, was te danken aan averechts uitpakken van wat het waterschap zich nog permitteerde om de Friese Staten af te leren zich ooit nog eens te bemoeien met de constructie van de zeedijken. Maar daarvoor had de grasbeklede testdijk in 1983 eerst wel het ook door mij als onmogelijk geziene moeten bewijzen >. Dat was te indrukwekkend om als waterstaat zelfs voor de deltadijk van Ferwerderadeel en die aan de stormluwe kant van de Waddeneilanden te kunnen vasthouden aan wat de 'deltanormen' aan asfaltbekleding voorschrijven.