Webstek- / Sitemap
StekStrúner
Ψoordenboekje

  <   A4  
A5
800-1200
+ <1600
—————
DIC
DICH
DICK
DIEC
DIEK
DIG
DIIC
DIICH
DIJC
DIJCH
DIJCK
DIJK
DIJX
DIK
DIKE
DYC
DYCK
DYK
DYKE
A6  >

Waterstaatsmythen  en  –onwaarheden

Bij de stormvloed van 1 februari 1953 bleef doorbreken beperkt tot het Zeeuws/Hollandse dijk­profiel met zijn tot enkele malen steiler hellende binnenkant dan bij het dan elders al meestal gebruikelijke Fries/Friesische dijkprofiel. Dat vroeg de opgetreden doorbraken volgens de buiten Zeeland en Holland soms al eeuwen toegepaste verklaring toe te schrijven aan te steil staan van het binnenbeloop, daarmee expliciet erkennend dat voorkomen ervan eenvoudig mogelijk was geweest. En vroeg annex daarmee zoals bij de oosterburen te volstaan met een zoveel eenvoudiger wijze van beantwoording van de opgetreden doorbraken dan het Deltaplan deed, dat die erkenning ook nog eens impliciet zou zijn opgeroepen. Maar helaas inpireerde de rampzaligheid van de gevol­gen de waterstaat tot het tegenovergestelde. Dat door middels het verkondigen van hele en halve onwaarheden en het cultiveren van waterstaatkundige mythen de Zeeuws/Hollandse dijkdoorbraak­verklaring overeind te houden en daar een megalomane uitvoeringswijze van het Deltaplan aan op te hangen. In 4 groepen onderverdeeld hierna voorbeelden daarvan. Met mijn weerlegging wel/niet in beeld bij muisklikken op het blokje.

Groep A  betr. dammen en dijken algemeen:

  De dijkdoorbraken van 1953 (en 1916) vallen de waterstaat niet te verwijten
    Omdat ook de doorbraken van 1953 (en 1916) beperkt bleven tot dijkjes met een zeer steile binnenkant, had de waterstaat hun doorbreken overeenkomstig de Fries/Friesische verklaring behoren toe te schrijven aan te steil hellen van de dijkbinnenkant. Echter, daarmee zou openlijk zijn toegegeven dat die doorbraken eenvoudig hadden kunnen worden voorkomen door de extreem steile binnenkant van het desbetreffende Zeeuws/Hollandse dijktype wat minder steil te maken. En zou die conclusie bovendien zijn opgeroepen door de eenvoudige wijze van beantwoording van die doorbraken door ook voor Nederland met het veel eenvoudiger (en betere) Duitse antwoord op dijkdoorbraken te volstaan. Nee dus.
    De waterstaat permitteerde zich de dijkbouw voor heel Nederland te baseren op de Zeeuws/Hollandse doorbraak­verklaring en daar voor (delta)dijken met een grasbeklede binnenkant —met voorbijgaan aan de dijkhelling— als uitgangspunt aan op te hangen dat ze al doorbreken zodra zich overloop gaat voordoen. Lijnrecht het tegenover­gestelde van erkennen dat die doorbraken simpel door wat ontsteiling van de dijkbinnenkant hadden hadden kunnen worden voorkomen. En dat bovendien nog eens ongeloofwaardig makend door het vanwege de hantering van dat uitgangspunt op een gigantisch overdimensionerende en als zodanig veel indruk makende wijze beantwoorden van de opgetreden doorbraken. Aldus als waterstaat dreigende verwijten over onbenut laten van een eenvoudige moge­lijkheid tot voorkomen van de opgetreden doorbraken transformerend in bewondering voor de wijze van beant­woording, in het bijzonder voor wat de zeegaten en riviermondingen betreft.
  De Deltawet schreef de voor de deltadijken gehanteerde berekeningswijze voor
    De (slechts 2 pagina's tellende) Deltawet verordonneert voor wat betreft de dijken tot "versterking van de hoog­waterkeringen ter beveiliging van het land tegen hoge stormvloeden". Bij ontbreken van een nadere precisering van hoge stormvloeden gaat het dan volgens de standaard-definitie om stormvloeden met een kans op voorkomen van gemiddeld eens per 100 tot 1000 jaar. Een veel minder zware eis dan door de rijkswaterstaat geformuleerd in de deltanormen en bovendien ontbreken aanvullende eisen.
  Het Deltaplan stoelt op eeuwenlange meetgegevens van waterstanden, golfhoogten c.a.
    Opportunisme deed —zoals ondermeer in de introductie van dit hoofdstuk verklaard— voor deltadijken met een grasbeklede binnenkant als uitgangspunt hanteren dat ze doorbreken zodra de hoogste golfuitlopers de kruin berei­ken. En daarmee annex hun hoogte berekenen op gemiddeld niet vaker dan eens per 10000 jaar (Randstad), resp. eens per 4000 jaar (overgrote deel van Nederland), resp. eens per 2000 jaar (Waddeneilanden) mogen optreden van die situatie. Als tijdvak volgens de waterstaat te lang voor basering van de deltadijken op extrapolatie van "slechts" enkele eeuwen waarnemingen van waterstanden etcetera, daardoor voor de Nederlandse dijkbouw overschakelend van een empirische naar een analytische dimensionering.
    Dat die berekening voor de hoogte van de deltadijken minder geloofwaardig uitkwam naarmate de situatie com­plexer was zoals bij de zich achter zeegaten bevindende Waddenzeedijken, deed in de deltanormen opnemen (blz. 32): Het valt op, dat het verschil tussen de basispeilen en de hoogst voorgekomen standen in het zuidwesten van Nederland vrijwel constant iets meer dan 1 meter bedraagt, terwijl dit verschil in de westelijke Waddenzee én langs de Eems tot ongeveer 2 meter oploopt. De reden daarvan is, dat in de waarnemingsperiode van ongeveer anderhalve eeuw in het noordoosten niet een zo uitzonderlijke vloed is voorgekomen als die van 1953 in het zuidwesten was. Zoiets als het verdedigen van een veel regen in de Sahara voorspellende berekening door te wijzen op het al zo lang niet zijn voorgekomen daarvan. Aldus nog eens ruim een meter verhoging toevoegend aan wat het voor de deltadijken hanteren van een veel kleinere overloopkans dan zich eeuwenlang voor het Friese dijktype als voldoende had bewezen, resulteerde totaal in onge­veer 3,50 meter verhogen van de desbetreffende dijken. Notabene bij een voldoende doorbraakvrij dijktype om zon­der risico van doorbreken zelfs nog met het uitvoeren van een (veel kleinere) verhoging te hebben kunnen wachten op het zich voordoen van daartoe inspirerende hoeveelheden overloop.
  Kwelders en landaanwinningswerken deden deltadijken lichter uitvoeren
    De in de crisisjaren dertig gestarte landaanwinningswerken (ook kwelderwerken of slikwerken genoemd) hadden als doelstelling het scheppen van werkgelegenheid in kombinatie met het behalen van vooral twee landbouwkundige voordelen. Als eerste voordeel het realiseren van een grotere oppervlakte voorland door dat lager te houden dan bij natuurlijke kweldervorming gebeurt, dus door het door de zee aangevoerde zand en slib meer in de breedte c.q. minder in de hoogte doen afzetten. Als tweede voordeel het voorkomen dat de grond door hoger opslibben te slibrijk wordt voor het machinaal bedrijven van akkerbouw en dan in het bijzonder voor de regionale voorkeursteelt poot­aardappelen.
    En hoewel het stormseizoen het hoogteverlagende resultaat van de landaanwinningswerken veel meer dwars zat dan was verwacht, blijft het daaraan toekennen van een gunstige (meer beschermende) functie voor de dijk een onwaarheid. Overigens kent de berekeningswijze van de Nederlandse dijken als gevolg van toespitsing op een eens in de zoveel duizend jaar voorkomende "superstorm" ook geen beschermende functie toe aan een tot natuurlijke hoogte opgeslibde kwelder.

Groep B  betr. dam- en dijkhoogte:

  De Friese zeedijk moest 400 keer zo sterk worden
    Langs de Friese vastewal zijn de deltadijken gedimensioneerd op het zich gemiddeld eens per 4000 jaar kunnen gaan voordoen van kruinoverloop, terwijl de kans daarop bij de bestaande dijken ongeveer eens per 10 jaar bedroeg. Op elkaar delen van de beide overloopkansen doet onze waterstaters beweren dat de upgrading tot deltadijk de kans op doorbreken 400x kleiner maakte c.q. de Friese dijken 400x sterker. Omdat loyaal uitvoering geven aan de deltanormen hen er van doet uitgaan dat dijken met een grasbeklede binnenkant doorbreken zodra zich kruinoverloop begint voor te doen.
    Het is een zienswijze die haaks staat op die van de Duitse waterstaters (en voorheen de bouwers van het Fries/Friesische dijktype). In hun optiek voorziet toepassing van een binnenkanthelling 1:3 al zo royaal in de voor vrijwaring van doorbreken vereiste overloopsterkte en stabiliteit, dat het overdimensionerend c.q. waterstaatkundig beschamend zou zijn dat nog royaler te doen door de dijkbinnenkant nog flauwer te doen hellen. Het al aanwezig zijn van een zodanige binnenkanthelling bij de bestaande Friese dijken betekent in hun optiek dat door de metamorfose tot (aan de binnenkant 1:3 hellende) deltadijk geen vergroting van de reeds nihil zijnde doorbraakkans meer werd bereikt. Hoewel gevoelsmatig de Friese dijken veel sterker makend, leverde die metamorfose in werkelijkheid niet meer op dan het verkleinen van de overloopkans voordat een voldoende overloopsterk dijktype daar behoefte aan heeft, namelijk bij het voor de aanwonenden irritant worden van de optredende hoeveelheid kruinoverloop. Helemaal van de gekke dat dan ook nog eens zo'n 400x te doen door de deltadijk zo'n 3 meter hoger te maken dan de tot dan bestaande Friese zeedijk.
  Dijken met een grasbeklede binnenkant breken al door zodra zich kruinoverloop gaat voordoen
    Omdat ook de doorbraken van 1953 (en 1916) beperkt bleven tot dijkjes met een zeer steile binnenkant, had de waterstaat hun doorbreken overeenkomstig de Fries/Friesische verklaring behoren toe te schrijven aan te steil hellen van de dijkbinnenkant. Echter, daarmee zou openlijk zijn toegegeven dat die doorbraken eenvoudig hadden kunnen worden voorkomen door de extreem steile binnenkant van het desbetreffende Zeeuws/Hollandse dijktype wat minder steil te maken. En zou die conclusie bovendien zijn opgeroepen door de eenvoudige wijze van beantwoording van die doorbraken door ook voor Nederland met het veel eenvoudiger (en betere) Duitse antwoord op dijkdoorbraken te volstaan. Nee dus.
    De waterstaat permitteerde zich de dijkbouw voor heel Nederland te baseren op de Zeeuws/Hollandse doorbraak­verklaring en daar voor (delta)dijken met een grasbeklede binnenkant —met voorbijgaan aan de dijkhelling— als uitgangspunt aan te ontlenen dat ze al kunnen doorbreken zodra zich kruinoverloop gaat voordoen.
    Dat uitgangspunt is sinds enkele decennia nader gepreciseerd als maximaal toelaatbare kruinoverloopdebiet 1 liter/meter/seconde als opvolger van het daaraan voorafgaande 2%-overloopcriterium. Dat wil zeggen dat bij de maatgevende "superstorm" op de top van het getij (dus éénmalig) maximaal 1 l/m/sec aan hoeveelheid kruinoverloop mag optreden respectievelijk slechts de hoogste uit een spectrum van 50 golfuitlopers de kruin mag kunnen bereiken, anders dan de benaming overloopcriterium suggereert in werkelijkheid een non-overloopcriterium.
En permitteerde zich bovendien dat zg. overloopcriterium overeind te houden door eenvoudig uitvoerbare overloop­testen decennia lang voor zich uit te schuiven en na het eindelijk uitvoering geven daaraan de resultaten beschamend te interpreteren. Gevolg was dat het Deltaplan ruim 5x duurder werd uitgevoerd dan bij basering op de Fries/Frie­sische doorbraakverklaring en daarmee annex op de Duitse dijkberekeningswijze zou zijn gebeurd, terwijl die veel minder dure uitvoering ook nog eens beter en mooier zou zijn geweest.
  De deltadijken kunnen niet met minder hoogte toe
Het hanteren van de Zeeuws/Hollandse doorbraakverklaring maakte voor de deltadijken tot uitgangspunt voor de hoogteberekening dat een dijk met een grasbeklede binnenkant, ongeacht hoe flauwhellend ook, doorbreekt zodra zich golfoverloop gaat voordoen. Globaal gesteld als risico in de deltanormen voor de Randstad gelimiteerd op gemiddeld eens per 10.000 jaar, voor de economisch minder belangrijke delen van Nederland op 4000 jaar en voor ondermeer de Waddeneilanden op 2000 jaar. En na de hoogte aldus te hebben berekend, werd tot slot voor een eeuw verwachte zeestijging 17cm toegevoegd plus een overhoogte voor verwachte kruindaling door dijk- en ondergrondzetting.
    Was de Friese doorbraakverklaring gehanteerd en daarmee annex de dijkhoogte berekend zoals bij de huidige Duitse dijken, dan was met een ongeveer 2 meter lagere hoogte volstaan. Want de daarvoor voorgeschreven hoogtenorm (overslagkans eens per 50 tot 100 jaar) was dan ook hier als ruim voldoende beschouwd gezien de praktijk dat de bestaande dijkhoogten (overslagkans ongeveer eens per 10 jaar) niet als te laag werden ervaren voor het daar aanwezige Friese (doorbraakvrije) dijktype.
  De Nederlandse veiligheidsnormen liggen hoger dan de Duitse
    Nee, want voor Nederland accepteren we een doorbraak­kans van gemiddeld eens per 4000 jaar tot 10.000 jaar. Voor de Duitse dijken geldt als eis dat ze doorbraak­vrij moeten zijn. Toepassing van een grasbekleed binnenbeloop 1:3 (identiek aan onze deltadijken) waarborgt dat in de Duitse visie ruim voldoende omdat er in het verleden geen dijken zijn doorgebroken met minder steile binnenkanten dan circa 1:1,5. Als ervaring overigens ook gestaafd door de 89 dijkdoorbraken in zuidwest-Nederland in 1953.
  Vijfjaarlijkse hoogtemetingen moeten te hoog oplopen van de doorbraakkans voorkomen
    Opportunistisch toepassen van de Zeeuws/Hollandse verklaring op de dijkdoorbraken van 1953 (en 1916) doet onze waterstaters voor dijken met een grasbeklede binnenkant —met voorbijgaan aan de dijkhelling— uitgaan van doorbreken zodra zich kruinoverloop gaat voordoen. Voor wat de hoogte van de deltadijken betreft resulteerde dat primair in het enkele meters hoger maken dan bij afstemming op de voor het bedijkte gebied hinderlijk wordende hoeveelheid kruinoverloop zou zijn gebeurd. En secundair in het om de 5 jaar controleren op nog aanwezig zijn van overhoogte (voor kruinzakking) en het zonodig op peil brengen daarvan door relatief dure kleine dijkverhogingen.
    Zoals de Duitse waterstaters waterstaatkundig correct toepassen van de Fries/Friesische verklaring op dijkdoorbraken doet dijken met een overeenkomstige binnenkanthelling 1:3 als bij de Nederlandse deltadijken als ruimschoots doorbraakvrij zien. Voor wat de dijkhoogte betreft resulteert dat primair in afstemming daarvan op de voor het bedijkte gebied hinderlijk wordende hoeveelheid kruinoverloop. En secundair in het geen waarde toekennen aan controleren op het nog aanwezig zijn van overhoogte (voor kruinzakking) omdat zonder risico van doorbreken met verhogen kan worden gewacht tot zich daartoe inspirerende hoeveelheden overloop gaan voordoen.
  Kruinoverloop geeft zoutschade
    Treden in Nederland zware stormen op, dan is de grond te nat om zeewater en daarmee zout te kunnen absor­beren. Een kruinoverloop (of zelfs een dijkdoorbraak) veroorzakende superstorm geeft dus geen grondverzilting, maar kan landbouwkundig hooguit directe gewassenschade geven zoals de stormvloedramp van 1953 weer bewees. Maar zelfs als de grond droog is en daardoor bij overstroming met zeewater zout opneemt, blijkt dat lang niet zo nadelig te zijn als bij het indienen van claims wordt beweerd, erkenden boeren enkele jaren na de inundatie van Walcheren begin october 1944. En om zich onderhoud aan de dijksloot te besparen, werd vroeger het zoutgehaalte daarvan wel bewust extra verhoogd door de uitwateringsluis bij vloed wat langer open te houden.

Groep C  betr. dam- en dijkbekleding:

  Een volledig uit zand opgebouwde deltadijk is sterker dan voorzien van een degelijke bekleding
    Opportunistisch toepassen van de Zeeuws/Hollandse verklaring op de dijkdoorbraken van 1953 (en 1916) deed hun beantwoording baseren op het reeds doorbreken van dijken met een grasbeklede binnenkant —met voorbijgaan aan de helling daarvan— zodra zich kruinoverloop gaat voordoen. Dat deed voor de deltadijken met een grasbeklede binnenkant de hoogte berekenen op tot bij de kruin komen van de hoogste golfuitloper bij de voor die dijklocatie maatgevende, eens in de zoveel duizend jaar optredende "superstorm". Bovendien werden ze —zonder dat dat als sterker maken werd gewaardeerd— veel minder steilhellend gemaakt dan bij het doorgebroken Zeeuws/Hollandse dijktype het geval was geweest.
    Loyaal de opgedragen taak uitvoerend, verkondigen onze waterstaters van die kolossaal gedimensioneerde deltadijken dat ze reeds kunnen doorbreken bij het zich gaan voordoen van kruinoverloop. Echter, een zodanig gedimensioneerde dijk blijkt bij opbouw uit alleen maar zand nog lang niet aan doorbreken toe te zijn, etaleert onderstaande figuur voor de Friese zeedijk na het daarop toepassen van een duinberekening. Dat wil zeggen dat onze waterstaters het zich permitteren de degelijk beklede deltadijken als (veel) zwakker te waarderen dan bij volledig uit zand bestaan. Een indirect bewijs van de basering van de Nederlandse dijkbouw op een gigantisch overdimensionerend uitgangspunt. deltadijk dijk berekend als duin
  Een gras/kleibekleding is onvoldoende sterk voor toepassing op het golfaanvaldeel van een dijk
    Onvoldoende meewerking aan toegeven dat de dijkdoorbraken van 1953 (en 1916) eenvoudig hadden kunnen worden voorkomen, deed de waterstaat het antwoord daarop —zich de Zeeuws/Hollandse doorbraakverklaring daarbij permitterend— baseren op doorbreken van dijken met een grasbeklede binnenkant zodra de hoogste golf­uitloper de kruin bereikt. En deed aan het als zodanig maximaal onderwaarderen van de gras/kleibekleding én van de dijkhelling voor de dijkBINNENkant, voor de dijkBUITENkant een vrijwel evengrote onderwaardering toevoegen. Dat laatste deed in de deltanormen een grasbekleding voor wat de dijkbuitenkant betreft slechts toelaten voor de boven­ste helft van de golfuitloopzône, de bovenste meters van een deltadijk. Voor de onderste helft van de golfuitloop­zône én de volledige golfaanvalzône werd een harde (asfalt)bekleding voorgeschreven.
    Voldoende meewerking aan toegeven dat dijkdoorbraken eenvoudig kunnen worden voorkomen, bespaarde de Fries/Friesische en de huidige Duitse dijken voor grootschalig onderwaarderen van de gras/kleibekleding en de dijk­helling. Met als voordelen ondermeer het daarbij wel profiteren van het toepassen van groene dijken, zelfs tot en met de zwaarst aangevallen dijken van Europa langs de Duitse Bocht.
  Resultaten testdijkproeven rechtvaardigen geen verandering van (delta)normen
    In 1980 is in de honderden meters lange golfgoot van het toenmalige Waterloopkundig Laboratorium in de Noordoostpolder een daarin uit grote zoden in deltadijkformaat opgebouwde testdijk onderworpen aan golfaanval. Dat in de verwachting voldoende schade tot stand te kunnen brengen om de Friese Staten te doen inzien verkeerd te hebben gedaan aan het zich —tegen de waterstaatsadviezen in— bij motie uitspreken voor het geheel grasbekleed houden van zo'n 15 kilometer nieuw aan te leggen deltadijk in Ferwerderadeel (dat met het oog op financierbaar maken van een bedijkingsplan).
    Maar hoewel opgebouwd uit zoden en wekenlang slechts enkele procenten daglicht te hebben gehad, toonde de testdijk meer sterkte te hebben dan waar de deltanormen voor Nederlands zwaarst aangevallen dijken van uitgaan, namelijk dagenlang en zelfs met "uitschakeling" van getijwerking doorstaan van golfaanval met een significante golfhoogte van 1,85m. Dat resultaat had het, door loyaal uitvoeren van de deltanormen bepaalde gras/kleibekleding-onderwaarderende standpunt van de Nederlandse waterstaters behoren te doen veranderen in dat van de Duitse waterstaters, die ook voor hun zwaarst aangevallen dijken de voorkeur geven aan zo'n dijkbekleding boven een asfaltbekleding. Vluchten voor de daarin besloten liggende erkenning deed de waterstaat echter veel magerder concluderen. Namelijk slechts acceptatie van meer grasbekleding dan volgens de deltanormen voor dijken met veel voorland zoals die van Ferwerderadeel en voor dijken aan de lijzijde van de Waddeneilanden.
  De eerste jaren kan grote schade optreden omdat de grasmat dan nog niet op sterkte is
    Eind november 1981 kreeg een nog maar enkele maanden eerder ingezaaide, geheel nieuwe dijk in het Duits-Deens grensgebied te maken met de zwaarste stormvloed van de eeuw met waterstanden en golfhoogten zoals die voor de Nederlandse dijken slechts bij ontwerpomstandigheden (om de 4000 jaar) zijn te verwachten. Maar hoewel de 1 meter dikke bekledingslaag uit zoute wadgrond bestond en maar voor een gering deel de benaming klei verdiende (toegestane lutumpercentage vanaf 18%), beperkte de aantasting zich zelfs op de meest zandige plekken tot een diepte van 45cm en gemiddeld 2,3 m3 per meter dijk (herstelkosten slechts € 13/m). Een ervaring die een verdere versterking gaf aan de in Duitsland voor pas gereed gekomen dijken al bestaande visie, dat het niet de moeite loont kosten te besteden aan tijdelijke voorzieningen en dat de veiligheid tegen doorbraak in het geheel niet in het geding is. Overigens zijn de Nederlandse dijken zelfs zo groot van formaat dat ze zelfs berekend als duin nog aan de 'deltaormen' voldoen zoals door mij werd onderbouwd in de brief die ik eind mei aan de leden van het Algemeen Bestuur van Wetterskip Fryslân stuurde na hun sanctionering van alweer een voorbeeld van totale opperste praktijkvervreemding binnen de Nederlandse dijkbouw. Namelijk het voor het komende stormseizoen toekennen van een doorbraakkans van 10% aan een asfaltbeklede dijk met enige oppervlakkige schade. En dat notabene door het hoogste orgaan van het waterschap, de instantie die het laatste woord heeft als het om grootschalige evacuaties gaat zoals 10 jaar geleden volstrekt onnodig vertoond voor 200.000 mensen in het rivierengebied.
  Een 'groene dijk' is eerder duurder dan een asfaltbeklede dijk dan andersom
    In 1976 presenteerde ik een vergaand uitgewerkt 'forklaeijersplan'. Het beoogde tussen SwarteHarne en Holwerd in een combinatie met een akkerbouwkundige grondverbetering een kleidijk aan te leggen, volgens mijn becijfering ongeveer de helft minder duur dan een asfaltbeklede dijk. Het plan kreeg qua kosten bovengenoemde reactie van de Provinciale Waterstaat, waarna ingenieursburo Arcadis dat best wou herhalen voor zo'n belangrijk opdrachtgever. Dat de groene dijk er niet voorgoed mee van het toneel verdween was te danken aan aannemersbedrijf Van Oord, dat bij de aanbesteding van een Groninger dijkvak aanbood een groene dijk voor ongeveer de helft van de kosten te maken dan waarvoor het werk werd gegund. Overigens valt ook ruwweg te beredeneren dat de dijk ongeveer de asfaltbekleding duurder wordt omdat dat materiaal per volume-eenheid enkele tientalllen malen duurder is dan de in dezelfde orde van grootte liggende prijzen van zand en klei.
  Onze klei is veel minder geschikt voor een 'groene dijk' dan de Duitse
    Gesuggereerd wordt dat de nabij het dijkvak Westhoek-SwarteHarne te winnen klei te zanderig is voor het maken van een 'groene dijk'. Maar zware klei is zelfs geen goede dijkklei, die vanwege verwerkbaarheid en waterdichtheid (beperking oppervlakte-scheurvorming) bij voorkeur qua lutum/kleifractie tussen de 20 en 30% lutum (d.i. zware zavel tot lichte klei) moet liggen. En wat in het verleden de naam kleidijken kreeg, verdiende zelfs de benaming klei vaak niet eens voor de afdekkingslaag aan de buitenkant (onder kruin en aan binnenkant kwam de nog lichtere en/of met veen etc. verschraalde grond) omdat bij de gebruikelijke aanleg vooraan op de kwelder meermalen hooguit zware zavel beschikbaar was en daar werd dan meestal mee volstaan en dat bovendien nog meermalen in een laagdikte van niet meer dan enkele tientallen centimeters. Maar zelfs bij die dijken viel in 1953 geen vernieling van de grasmat op zich te constateren, doch betrof de schade het schade het afschuiven van complete (te steil staande) taluds. En de in 1984 in het Waterloopkundig Laboratorium uitgevoerde proef bracht overduidelijk in beeld, dat best met een veel zaveliger grond mag worden volstaan dan algemeen gedacht. Het wortelgestel bleek van primair belang voor de bescherming van de dijk tegen verdergaande erosie te zijn. Bij maximale golfaanval schoor de grasmat, erodeerde vervolgens ca. ½ cm bovengrond en bleek het daardoor bloot komende wortelmatje al in staat te zijn verdere erosie te voorkomen. En zelfs met uit het Wad gebaggerde zoute klei blijkt best te kunnen worden volstaan zoals de 'groenere' uitvoering van de deltadijken op de Waddeneilanden heeft bewezen.
  Een deltadijk kan niet volstaan met alleen maar klei
    Bij deltadijken bestaat het dijklichaam volgens de deltanormen uit poreus zand en is de waterdichtheid voor het grootste deel van het buitenbeloop toevertrouwd aan de 20cm asfaltbekleding. Dan voel je je toch veiliger achter een volledig uit klei bestaande deltadijk, destijds in Ferwerderadeel realiseerbaar in combinatie met een landbouwkundige grondverbetering door aftichelen van te kleihoudende bovengrond voor de teelt van pootaardappelen.. Maar in plaats van daar meer waterdichtheid en sterkte aan toe te kennen, deed waterschap Fryslân het omgekeerde door zich in een brief aan de Minister van Verkeer en Waterstaat te keren tegen de motie die de Friese Staten kort daarvoor ten gunste van een "groene dijk" hadden aangenomen om door de lagere kosten daarvan toch nog een deel buitendijkse gronden te kunnen bedijken. In die brief van 20.10.1980 betrof dat de volgende passage: "Wij achten een ontwerp zonder een steen- of asfaltbetonbekleding niet verantwoord. Het komt ons, gelet op onze grote ervaring met Waddenzeedijken bij stormvloeden, onwaarschijnlijk voor dat een dergelijke constructie een Deltastorm zal kunnen keren. Hoewel wij niet verwachten dat onderzoek hiernaar zal aantonen dat dit wel het geval zal zijn, achten wij het niettemin op z'n minst noodzakelijk dat, alvorens tot dergelijke dijkbouwconstructies wordt overgegaan, een uitge­breid onderzoek hiernaar zal moeten plaatsvinden. Immers anders wordt op basis van een niet meer dan 'wishfull thinking' overtuiging de in dijkbouwtechniek tot nu toe gebruikelijke harde zetsteen en/of asfaltbetonbekleding weggelaten. Een flauwere buitenbeloophelling zou deze rigoureuze ommezwaai in dijkbouwtechniek, nog afgezien van de problematiek van de hogere kruinhoogte van er op aansluitende dijkvakken, geheel moeten kunnen com­penseren?"
  De asfaltschade bij het dijkvak Westhoek-SwarteHarne is een landelijke primeur
    Nee, zelfs binnen Fryslân niet. De dubbelzijdig met asfalt beklede deltadijk van Schiermonnikoog was al na 25 jaar zo sterk verweerd, dat B&W van de gelegenheid gebruik maakten te gaan pleiten voor een identieke 'groene dijk' als op dat moment op Ameland in aanleg was.

Groep D  betr. waterstaatshistorie c.a.:

  Friezen woonden primitief op terpen omdat ze nog geen dijken konden aanleggen
    In de paragraaf "Eerder dijken en polders dan wierden en terpen" onderbouw ik dat tot (zomer)polder bedijken van kwelderaanwassen de agrarische opbrengsten doet verveelvoudigen. En dat daarin waarschijnlijk de verklaring ligt voor het al zo'n 26 eeuwen geleden op de oudste terpen staan van opmerkelijk grote boerderijen en daarmee annex dat zo'n bedijking bij de meeste terpen de inspiratie tot hun aanleg was. Als verklaring extra ondersteund door het tot zo'n 10 eeuwen geleden wachten met het aanleggen van de eerste polders met een voldoende hoge dijk om bewoning mogelijk te maken zonder eerst het erf op terphoogte te hoeven brengen.
    Een heel ander verhaal dan van waterstaatszijde wordt voorgehouden. Het pr-verhaal over hoeveel kennis en samenwerking het realiseren van een polder zou vragen en daarmee annex het aanleggen en onderhouden van dij­ken. En over hoe wonen in de kuststrook pas wat comfortabel werd na het oprichten van waterschappen.
  Wie niet wil dijken, moet wijken
    Net als de hoogduitse variant "Wer nicht will deichen, muss weichen" gaat het hier om een vertaling van de oudere gezegden "Well nich will dieken, de mut wieken" (Ostfriesland), "Dei nait wil dieken, mout wieken" (Groningen) en "Wa net wol dike, moat wike" (Friesland). Gezegden uit een kustgebied, waar di(e)ke(n) betekende be'diken' van aange­slibde kwel(der)gronden of Salzwiesen. Maar daterend uit de tijd dat men daar nog stormvloedvrij op zandkoppen of terpen woonde, kan van wi(j)ke(n) in de betekenis van vluchten geen sprake zijn geweest. De betekenis daarvan is een gevolg van wat het di(j)ken genereerde aan voor die tijd ongekend grote en daardoor tot exporteren inspire­rende landbouwkundige opbrengsten.
    In die oudere vorm staat wi(e)ke(n) voor waar een 'wiking' (Ned. viking) zich mee bezig hield tot er onder hen verzet kwam tegen wat anderen zich in combinatie met kerstening permitteerden. Dat was tot dan het verhandelen van goederen binnen het —aan het Hanzeverbond voorafgaande— marktsysteem van de 'wiken' met als leden onder­meer de plaatsen langs de west- en oostkust van Mare Frisicum (thans Noordzee) en de Oostzee die met hun naam nog aan dat verleden herinneren door het daarin opgenomen zijn van wyk, wijk, wick of wich (uitgezonderd een deel van de wijk-namen in verveningsgebieden). Maar ook in bijvoorbeeld de groente'wijk' van de groenteboer bleef de bete­kenis als handelsterritorium verwoord.
    Daarbij betrof de export hoofdzakelijk de houdbare producten van de verkregen opbrengstvergroting: akker­bouwgewassen, bewerkte landbouwproducten (kaas, huiden, wol, geweven laken) en levend vee met waarschijnlijk als bestseller het pantservoertuig van die tijd (paarden). En daarnaast uit selnering verkregen zout en de daarmee ingezouten vlees en vis, in getijprielen bij eb gemakkelijk in grote hoeveelheden te vangen. Voor import of doorvoer bestond de retourvracht vooral uit brons en ijzer, aardewerk, wijn, barnsteen en andere sieraden. Maar, met tussen­opslag in de kuilen van het Deense Haithebü, uit de Slavische landen ook slaven voor verhandeling op de markt in Parijs.
  God schiep de zee, de Hollanders hun eigen land
    Deltares, volgens eigen zeggen 's werelds toonaangevende instituut op het gebied van "Levees, Dikes and Waterdefences", permitteert zich op zijn website te beweren dat er een oud-Engels gezegde "God created the world, but the Dutch created Holland" bestaat.
    The Dutch have been building waterdefences for a thousand years now. No other country has such an enormous wealth of experience on this subject. Deltares is at the centre of this web of knowledge. We are specialised in literally every part of every type of dike, quay, dam or dune. This makes The Netherlands the global leader in the fight against – and in living with – water. An old-English saying is: God created the world, but the Dutch created Holland. The Dutch are proud to think that there's a lot of truth in that. More than half the country was reclaimed from below sea level and the fight against the water continues every day.
Dat ter onderbouwing van de door Deltares gedane belofte dat de geleverde kennis op duizend jaar ervaring met dijken stoelt. En met een overeenkomstig doel permitteren waterstaat en waterschappen zich al decennia Nederlandstalige varianten zoals "God maakte de zee, de Nederlanders de dijken" of "God maakte de zee, maar de Nederlanders de kust" of "God maakte de zee, maar de Nederlanders hun eigen land". Ja zelfs varianten waarin Hollanders met de eer gaan strijken, de later zelfs hun naam verkeerd schrijvende nazaten van (veen)graaf Dirk van Holtland uit de Haarlemmerhout.
    Allemaal zijn het valse vertalingen van het gezegde "Deus mare, Friso litora fecit", dat gezien het maar enkele eeuwen in Latijnse tekst voorkomen van de naam Friso voor Friezen een verband lijkt te hebben met het ca.700 tot stand komen van de Scola Frisonum te Rome (zie www.friezenkerk.nl/historie) en het ca.800 door Karel de Grote uitbrengen van de meestal Lex Frisionum genoemde Lex Frisonum. Dat wil zeggen een verband met de paar eeuwen waarin de Friezen als één van de vier Europese volken werden gezien en een sterke —vooral op handel en geloof gebaseerde— relatie onderhielden met de Kerk van Rome en Karel de Grote in Keulen. Met als eerste deel het schep­pingsverhaal van Genesis, best mogelijk dat dit gezegde ergens binnen die kerk ontstond binnen dat Karolingische tijdperk.
    Hoe het ook zij, de bedenker was iemand die bewondering had voor wat er in Frisia veranderde door het ver­plaatsen van lito (ook geschreven als litho), dat wil zeggen van aardmaterialen zoals steen, zand en klei. Maar daarbij hoeft hij zelfs niet in de eerste plaats oog te hebben gehad voor het tot stand brengen van de toen meestal nog slechts manshoge, met hun grasbekleding zich nauwelijks van de omgeving onderscheidende (zomer)dijkjes. Best mogelijk dat hij heel wat meer onder de indruk was van de veel opvallender gevolgen. Namelijk het realiseren van zoveel hogere landbouwopbrengsten dat die kuststrook tot Europa's meest dichtstbevolkte gebieden ging behoren.
  Nederland werd op de zee veroverd
    Bij het begin van de jaartelling was het huidige Nederland grotendeels een hoogveengebied, tegen de Noordzee beschermd door een slechts door enkele rivieren ondervroken strandwal. Grootschalige zout- en veenwinning deed de zee met name in Zeeland (=Selland=zoutland) en de Zuiderzee (incl. Waddenzee) naar binnen halen en veel meren (Haarlemmermeer, Schermer, etc.) ontstaan. En nadat landbouwkundige ontwatering het overige hoogveen door oxidatie tot laagveen hadden doen zakken, deed het maken van polders die daling nog enkele meters doorzetten. Maar doordat overheersende westelijke winden sediment bleven aan­voeren, kon aan bedijking van kwelders iets van het verlies aan land worden teruggewonnen en konden zelfs diep gemoerde meren door bemaling worden droog gemaakt. Méér: artikel site fysisch geograaf Kwaad
Naast bijwerking van de gegeven antwoorden, volgt toevoeging mogelijk nog voor:
—  Dijken met grasbeklede binnenkant moeten 2-3 meter hoger dan bij 2-zijdige asfaltbekleding
—  Sterker maken van de dijken was ook gunstig voor de onderhoudskosten
—  Zeedijken doorbraakvrij maken was vroeger onmogelijk
—  Een goede zaak, dat zet zoden aan de dijk
—  De Nederlandse dijkbouw stoelt op eeuwen ervaring
—  Wetterskip Fryslân wilde altijd al minder asfaltbekleding dan volgens deltanormen
—  Dijken mogen geen water doorlaten
—  Dijken werden vroeger pas versterkt nadat ze waren doorgebroken