Webstek- / Sitemap
StekStrúner
Ψoordenboekje

  <   A1  
A2
800-1200
+ <1600
—————
DIC
DICH
DICK
DIEC
DIEK
DIG
DIIC
DIICH
DIJC
DIJCH
DIJCK
DIJK
DIJX
DIK
DIKE
DYC
DYCK
DYK
DYKE
A3  >

Kaai(dijk)en zo’n 2500 jaar agrarisch beter dan waldijken

Zelfs na duizenden jaren boerengebruik is het land rond de terpen nog vruchtbaar. Dat dankzij de zeekering genoeg overlopend houden voor tijdens stormen slibrijk water door zijn kerende functie te beperken tot het (half)jaardeel met ingedroogd kunnen zijn van de bovengrond, daardoor verzilting van de door (bil)akkeren ontzilte grond vermijdend. Maar in plaats van hun bewoners te prijzen voor zoveel duurzaamheid tonen, wordt hun wijze van wonen minachtend toegeschreven aan nog geen ‘terploos wonen mogelijk makende zeekeringen' kunnen maken tot de oudste schrijf­vormen van Ned. DIJK en Fry. DYK toponiemen en teksten verschenen. Als standpunt uitgedragen door waterstaters en archeologen, maar vooral ook door de taalkundigen door reeds voor het tijdvak 800-1200 in het Oudnederlands Woordenboek aan DIC, DIIC, DIK, DICH als betekenis ‘kunstmatig aangelegde waterkering' toe te kennen. Dat wil zeggen zo’n 800 jaar eerder dan Killians woordenboek vooral taalkundigen voor het oprapen legt en zij bovendien van meerdere kanten iets minder expliciet aangereikt krijgen. Vooral die omissie zie ik als verklaring voor waarom vrijwel geen publicatie nog anders verwoordt zoals de volgende greep daaruit toont:
BRONCITAAT
2010
OP DE GRENS VAN LAND EN WATER (dissertatie D.Gerrets)
Dynamiek van landschap en samenleving in Frisia gedurende de Romeinse tijd en de volksverhuizingstijd
De vroegste dijken
    (pag.36) Het moment waarop in Westergo de eerste bedijkingen van enige omvang tot stand zijn gekomen, is hoogst onzeker. Recent archeologisch onderzoek te Wijnaldum, Dongjum en Peins heeft uitgewezen, dat al in de late ijzertijd en in de Romeinse tijd kleine arealen kwelderland worden bedijkt met de bedoeling het be­dijkte land als akkerland en mogelijk deels ook als weide- of hooiland in gebruik te nemen. Deze vermoede­lijke ringdijken fungeerden alle als zomerdijk, waarbij het bedijkte land in de winter nog met grote regelmaat werd overstroomd. Voor zover we nu weten zijn deze dijken uitsluitend onder de latere terpen gedeeltelijk bewaard gebleven. [Bazelmans et al. 1998b, 1999]
    Nog onwetend van deze eerste dijkbouw in de Romeinse tijd veronderstellen Rienks en Walther dat de eerste dijken in noordelijk Westergo tussen de nc en de 13° eeuw werden aangelegd, daarbij aantekenend, dat de precieze ouderdom van de eerste dijken moeilijk vast te stellen is (afb. 2.12) [Rienks & Walther 1955, 145 en 148; Rienks 1958, 232.] In hun redenering speelt een van de oude Friese wetten, het zogenaamde Oude Schoutenrecht, een belangrijke rol omdat hierin het vroegste waterstaatsrecht van Friesland is vast­gelegd. In dit Oude Schoutenrecht is sprake van onderhoudsverplichtingen aan de dijken. Zij veronderstellen dat de oudste dijken waarschijnlijk al enige tijd voor de optekening van het Oude Schoutenrecht zullen hebben bestaan. Het tijdstip waarop het Oude Schoutenrecht is opgetekend, speelt daarmee in hun datering een doorslaggevende rol. Aangezien zij de optekening van het Oude Schoutenrecht in de eerste helft van de 11e eeuw plaatsen, achten zij een datering van de vroegste dijken aan het eind van de 10e eeuw mogelijk. Daarmee zouden de eerste dijken van Westergo tot de vroegste dijken van ons land behoren.
    (pag.37) Op deze vroege datering is door meerdere auteurs, waaronder historici en rechtshistorici, kritiek geleverd. Het staat vast dat er in de Lex Frisionum, die in ca.802 werd opgetekend (met enkele 9e-eeuwse toevoegingen), van enig waterstaatsrecht nog geen sprake is, maar dat zou mede verklaard kunnen worden door de aard van de gerechtsbepalingen in deze wetstekst, die vooral gericht zijn op de heersende vetecultuur. [Zie tevens Blok 1984, 9] Halbertsma is in zijn hoofdstuk over dijkbouw in Terpen tussen Vlie en Eems niet eenduidig. Eerst meent hij dat het dijkwezen, waarvan sprake is in het Oude en Jonge Schoutenrecht, niet verder terugreikt dan de tweede helft van de 12" eeuw.[Halbertsma 1963a, 172] Dat in het Schoutenrecht gezwegen wordt over de plicht tot dijkherstel in het winterhalfjaar ziet hij als een mogelijke aanwijzing dat het om zomerdijken gaat en dat het onderlopen van het bedijkte land gedurende het winterseizoen minder belangrijk werd geacht. Elders meent hij echter dat er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van dijken voor de 10e eeuw, om vervolgens met zekerheid te kunnen vaststellen, dat dijken aan het einde van de 10e eeuw aanwezig waren. In zijn ogen waren deze dijken van een eenvoudige constructie en slechts van plaatselijke betekenis. [Halbertsma 1963a, 207]
    Anders dan Rienks en Walther meent Niermeijer dat het Oude Schoutenrecht, dat in de 13° eeuw werd opgetekend, niet verder teruggaat dan de 12e eeuw. Hij acht dijken van veel oudere datum dan ook onwaarschijnlijk. [Niermeijer 1958, 228]. Algra meende aanvankelijk in zijn dissertatie het Oude Schoutenrecht in de tweede helft van de ne eeuw te moeten plaatsen [Algra 1966, 59-64]. Onlangs heeft hij deze opvatting echter herzien en meent nu dat zowel het Oude als Nieuwe Schoutenrecht gezien moet worden als een compilatie van bepalingen van verschillende ouderdom, die na een ontstaansgeschiedenis vanaf 1086 tussen 1166 en 1196 werden opgetekend [Algra 1991, 2 en 24; Algra 1996,180-181] Fockema Andreae meent dat het Oude Schoutenrecht teruggaat op de ne eeuw [Fockema Andreae 1968,184]. Hij veronderstelt dat er in een bestuurlijk sterk verbrokkeld Westergo in de ne eeuw slechts sprake was van partiële bedijkingen, waarna pas in de i2e eeuw dijken van grotere omvang tot stand kwamen. De Langen spreekt duidelijk twijfel uit over de vroege dateringen van Rienks en Walther, wanneer hij de ouderdom van de dijken in Oostergo bespreekt. Hij wil de aanwezigheid van zomerdijken in de ne eeuw niet uitsluiten, maar acht een i2e-eeuwse datering het meest waarschijnlijk [De Langen 1992, 30-37 en 67]
    Wat de uitgestrektheid was van het dijkenstelsel in de tijd waarin het Schoutenrecht gold (tot ca. 1200), valt uit de wetsteksten niet op te maken. Ondanks de eerdergenoemde kanttekeningen die bij hun dateringen te maken zijn, is het in dit opzicht interessant om de redenering van Rienks en Walther bij hun reconstructie van de opeenvolgende fases van dijkaanleg te volgen. Voor deze reconstructie baseren Rienks en Walther zich op onderzoek in het veld. Rienks en Walther stellen dat de vroegste bedijkingen plaatsvonden in de zogenaamde 'moederpolders' bij Tzum, Oosterend, Wijnaldum en Hartwerd-Witmarsum [Rienks & Walther, 1954, 36/37 en 211] Bij de eerste bedijkingen werden zo weinig mogelijk grote geulen afgesneden, ogenschijnlijk om de afwatering van het kwelderland niet te hinderen. Toch zullen zo nu en dan kleinere prielen of kreken door de bedijking zijn afgesneden, waardoor het noodzakelijk werd om daar uitwateringssluizen, zogenaamde zijlen, te construeren. Het hydroniem silrode, dat een vroegmiddeleeuwse oorsprong heeft, verwijst naar deze vroegste waterstaatkundige werken [Gildemacher 1993, 462—472] Nog in de 10e eeuw zouden op deze dijken andere dijken zijn aangesloten, die later onderdeel zijn geworden van de Slagtedijk. Nadat omstreeks 1000 een dijk langs de gehele Middelzee werd voltooid, zou het gehele oostelijke deel van Westergo met een dijk zijn omsloten [Rienks & Walther 1954, 211; Rienks 1958, 233] Het knipkleigebied, dat ook wel wordt aangeduid als het 'oude land' zou al voor 1000 zijn bedijkt. Veel dijken zullen vooral als zomerdijken moeten worden beschouwd, omdat het in die periode van het jaar de moeite loonde om het water te keren [Zie ook Van der Poel 1960-1961,175 e.v.] Aangezien er in de winter toch geen houden aan was, liet men het water veelal zijn gang gaan (zie ook afb. 2.1). Ook de dijken in de hedendaagse buitendijkse kwelders zijn nog zomerdijken [Van Weperen, 1976, 9]
    De bedijking heeft het kombergend vermogen sterk verkleind (SdB: jildt NET foar simmerdiken) met als direct gevolg dat de zee bij vloed hoger kon oplopen [Halbertsma 1944,19] In het noorden van Westergo, ten noorden van de lijn Pietersbierum-Minnertsga, is nog tot in de 12° en 13e eeuw klei afgezet. Volgens Bakker gaat het om een pakket variërend in dikte tussen 50 en 120 cm. In deze afzettingen werden brokjes baksteen, scherven van kogelpot en Pingsdorf-aardewerk aangetroffen. Uit scherven van Siegburg-aardewerk kan worden afgeleid, dat nog tot in de 14/15° eeuw afzetting heeft plaatsgevonden [Bakker & Wensinki955, 32; Halbertsma 1955b, 64] De grote stormvloeden van de volle Middeleeuwen en later zullen zeker aan kracht hebben gewonnen ten gevolge van de beperking van het kombergend vermogen door dijkaanleg enerzijds en door bodemdaling als gevolg van veen-ontginning in de omgeving van de grote getijdenbekkens anderzijds.
    In de inleiding werd al gewezen op het gebruik van historische bronnen en de beperkingen die daaraan kleven. Gezien de beperkte reikwijdte van de Lex Frisionum kan men zich afvragen of het (s.38) waarschijnlijk is dat waterstaatsrecht in deze tekst zou zijn opgenomen. Door de meeste auteurs wordt de datering van het Oude Schoutenrecht als aanvangstijdstip voor de eerste grootschalige dijkbouw in Westergo genomen. Dat er in vroegere bronnen geen verwijzingen naar dijkbouw voorkomen, mag echter niet als een bewijs worden opgevat, dat dijkbouw van geringere omvang voor die tijd niet zou zijn voorgekomen. De oudste dijken zoals wij die kennen, zijn bewaard gebleven omdat zij tot op de dag van vandaag nog een waterkerende functie hebben of omdat zij gediend hebben voor wegaanleg. Het archeologisch onderzoek te Wijnaldum-Tjitsma, Dongjum en Peins heeft uitgewezen, dat oude dijkjes daar slechts onder de later aangelegde terpen bewaard zijn gebleven, terwijl zij in het omringende landschap niet langer zichtbaar zijn.** Juist bij de vroegste dijkconstructies zal het gaan om waterstaatkundige werken van geringe omvang, waarvan te verwachten valt dat zij geen nieuwe functie in het landschap toebedeeld hebben gekregen en dientengevolge in de loop der tijd zullen zijn geëgaliseerd. Indien er werkelijk voor de 11e eeuw al van waterkerende constructies sprake is geweest, dan mogen we wel aannemen dat het werken zijn geweest, die slechts voor de duur van het zomerhalfjaar een waterkerende functie zullen hebben gehad. De vroegste dijkbouw in het Noord-Nederlandse kustgebied is tot op heden nauwelijks onderwerp van archeologisch onderzoek geweest. Mogelijk dat toekomstig onderzoek meer uitsluitsel kan geven over aard en omvang en tevens antwoord kan geven op de vraag of het ogenschijnlijke ontbreken van dijkbouw in de vroege Middeleeuwen te wijten valt aan de stand van onderzoek of dat dit de werkelijke situatie weerspiegelt.
    **Zie ook paragraaf 3.3. Inmiddels is duidelijk dat dergelijke dijkjes uit de Romeinse tijd ook elders voorkomen in het Noord-Nederlandse kustgebied. Zo is recentelijk een dijkje aangetroffen te Wergea (Oostergo; Zandboer 2010) en Jelsum (J.A.W. Nicolay, pers. meded.), maar ook in Zeeland ( Serooskerke; Dijkstra & Zuidhof, in voorber. ) en in België te Stene , gemeente Oostende (Demey et al,, in voorber.) en te Raversijde , gemeente Oostende ( Pieters et al. 2006, Pieters 2008). Te Raversijde gaat het om een dijk die over enkele honderden meters vervolgd kon worden.
2000
OP HOOG NIVEAU, WANDELEN OP FRIESE ZEE- EN BINNENDIJKEN (B.Boersma)
Friesland, land van terpen en dijken
Omstreeks het jaar 1000 ging de sterk toegenomen bevolking over op een niewue vorm van zee­defensie door ringdijken aan te leggen. Deze bedijking staat bekend als ‘defensieve bedijking'. De eerste, voor onze begrippen extreem lage dijken werden in Westergo aangelegd ter bescherming van enkele dorpsterpen en omringende kwelders waar het vee graasde.
1984
DE DELTAWERKEN (De Haan, Haagsma)
Rond het jaar 1000 werd begonnen met de aanleg van dijken, waarbij de vele kloosterorden in dit gebied een belangrijke rol spelen. Dat gaat nog tamelijk primitief: met een schop en wat manden vol klei worden langgerekte ophogingen gemaakt, een moeizaam werk dat later vergemakkelijkt wordt als de kruiwagen zijn intree doet.
1921HTS-boek (red. Colijn): Eerst in de 10e en 11e eeuw is er meer regelmaat in den aanleg en het onderhoud van zeedijken te ontdekken. . . . Hoewel toen de zeewering meer en meer een zaak van algemeen belang werd, bleef nog menigmaal de zuinigheid de wijsheid bedriegen. Nóg was veelal de kruin te laag en de dijk te zwak, en wanneer men de dijksprofielen uit dien tijd beschouwt, moet het verwondering wekken, dat niet nog meer rampen en onheilen het gevolg zijn geweest van een zóó onvoldoende bescherming . . .