|
➀ Kegen behielden hun grote vruchtbaarheid dankzij vrijwel jaarlijks
opslibben;
ontbreken daarvan bij kiezen voor hogere (akker- of wal-)dijken deed de vruchtbaarheid jaarlijks
minder worden tot
die na enkele eeuwen even slecht als op zandgronden was
➁ Door die opslibbing meegroeien met de stijging van het zeeniveau
geen
verslechteren van de terreinhoogte qua afwatering
➂ Een keeg maken plus voor ter plaatse wonen een terp vroeg veel minder
werk/grondverzet dan nodig voor een wonen op terreinhoogte mogelijk makende waldijk
➃ Op terpen wonen was veiliger dan op terreinhoogte achter dijken omdat
zelfs voldoende overloopbestendige 'bruchsichere' dijken konden doorbreken waar ze op het slik
van vroegere geulen
e.d. konden wegschuiven
➄ Flexibel reageren op aantasting van voorland en dijkvoet dankzij
geringere
investering
| Zolang nog geen (molen)bemaling mogelijk was en daardoor geen verbouw van wintergewassen: vrijwel elk stormseizoen enkele dagen blank staan van de keeg met dan geïsoleerdheid van bewoning |
| Vanaf de komst van molens (begin 15e eeuw): tevens geen verbouw van wintergewassen en betr. zomergewassen een kleiner bouwplan en kleinere opbrengsten met het risico van toch overlopen van een zomerkade en dan vrijwel totale vernieling van gewassen (overigens sindsdien met minder woonvoordeel omdat inmiddels bestaan van herfst- en voorjaarstormen kerende dijken de mogelijk biedt de voor zomerpolderen nodige opstallen binnendijks te plaatsen in plaats van op verhoogde erven binnen de zomerpolder). |