Door woordenboeken aan de 17 schrijfvormen van Ned. dijk en Fry. dyk toegekende betekenissen
Woordenboek Redactie Tijdvak Verklaring van het (vetgedrukte) lemma
Kilians Etymologicum teutonicae linguae< 1599ongenoemd dijck, Dijck, dijcken, dijcker ➔Eigen pagina ▲✖
Halbertsma's Lexicon Frisicum< 1869ongenoemd dyk, dykje, diker + 10 daarmee samengestelde woorden ➔Eigen pag. ▲✖
Oudnederlands Woordenb. (alleen dig.)1998⁃2008±500⁃1200 DĪK  dijk, kunstmatig aangelegde waterkering. Var. dic, diic, dich
Vroegmiddelnederlands Woordenboek
(alleen digitaal)
1988⁃19981200⁃1300 DIJC  opgeworpen aarden wal (al of niet met steen­glooiing versterkt) die dient als water­kering langs of om enig water (hoger dan een kade). Var.dic, deike, dicke, die, diec, diek-, diich, diic, dijch, dijk, dijx, dik, dyc, dyk
Middelnederlandsch Woordenboek:
scans handwoordenboek   digitale versie
1885⁃1941 1250⁃1550 dijc   1. Dijk, dam; 2. poel, moeras; vijver;
diken, dijcken   Aan een dijk werken; graven
Woordenboek der Nederlandse Taal 1864⁃1998 1500⁃1976 dijk
  1. opgeworpen, hoofdz. uit aarde best. waterkeering langs of om eenig water
  2. zulk eene waterkeering als verkeersweg beschouwd
  3. zelden in den zin van: waterkeering dwars door een water gelegd, dam
  4. gegraven water, t.w. gracht, sloot, vijver, groenkuil enz.
Friesch Woordenboek 1900⁃1911 1800⁃1900 dyk
  1. dijk, waterkeering
  2. opgeworpen aardwal als bevreding der landen
  3. rijweg
Wurdboek fan de Fryske Taal 1987⁃2011 1800⁃1975 dyk
  1. dijk, opgeworpen waterkering
  2. als rijweg gebruikte dijk; rijweg in 't algemeen
  3. opgeworpen aardwal als afscheiding van percelen land
  4. aarden wal in een eendenkooi (o.a. in Oostdongeradeel)
  5. lange rij halfdroge turven, twee lagen hoog (in veenderij)
Van Dale Groot Woordenboek van
de Nederlandse Taal
2015
ongenoemd dijk
  1. opgeworpen aarden wal (vaak met steenglooiing versterkt) die dienst doet als waterkering langs of om enig water (hoger dan een kade)
  2. (niet alg.) weg in het algemeen
  3. (niet alg.) gegraven water, sloot
Etym.: 1156 'dijk, dam, maar ook poel, vijver', mNed. dijc  [dijk, dam, vijver] (verwant met) Lat. figere  [in iets steken en dan hechten], dus met de grondbetekenis steken, spitten.
Naast Ned. dijk  en Fry. dyk  gewestelijk toegepaste uitspraken
diek Vlaamse, Friese én als streektaal overheersende uitspraak van de 12 op de dialectenwoordenkaart staande. Elders in Neder­land overheersende fonetische schrijfwijze annex uitspraak alsmede voor Fra. digue. Bovendien met name Ost- en Nordfriesisch toegepaste uitspraak in Duitsland en Denemarken.
daik Vooral Zuid-Hollandse en deels Noordhollandse uitspraak.
doik Volgens ▲ ✖ naast daik veel voorkomende uitspraak in west-Friesland.