>WebstekInhoud
StekStruner
Ψoordenboek

§6
<   A5

Woord-  en  afkortverklaringen  voor  zeestanden  en  golven

eb(be)   (afgaande/zakkende tij/zee) 1.getijdaling; 2.daardoor veroorzaakte stroom(snelheid) zoals als stroming in wegebben en als stroomsnelheid in volle, zware, halve en lichte eb; ter onderscheiding van eerste betekenis vooral door Vlamingen ook ebstroom genoemd. Verdringt meer en meer de kennelijk te veel uitspreekmoeite kostende benaming laagwaterstand, als ontwikkeling mogelijk door kiezen voor laagtij te keren. In samenhang daarmee valt de verwarring tussen de werkelijk opgetreden en de in getijtafels voorspelde astronomische laagwaterstand weg te nemen door de laatste tafellaagtij te gaan noemen. Woordherkomst: idem als af  >
ebstroom   Gedurende de ebΨ optredende stroom of stroomsnelheid.
getij(de)  tij  De periodieke verandering van de zeestand, d.i. het door astronomische factoren bepaalde gedeelte (zonder windinvloed). Aansturend zijn hoofdzakelijk de door de maan en de zon (45%) op het oceaanwater uitgeoefende aantrekkingskrachten plus het naar buiten slingeren daarvan als gevolg van het draaien van aarde en maan om een gemeenschappelijk zwaartepunt, door zijn ligging op 1500km onder het aardoppervlak de Grote Oceaan tegelijk aan twee kanten van de aarde centrifugerend >. Laatstgenoemde factor bepaalt dat de meeste kustwateren een dubbeldaags getij hebben, d.i. het twee keer voorkomen van eb en vloed in een dag plus krapaan een uur. De jaren vooruit berekenbare standen van dat astronomisch getij stonden vermeld in getijtafels  en zijn inmiddels voor bijna 90 Nederlandse locaties met getij.nl opvraagbaar. Een getijklok of -horloge houdt het gemiddeld dagelijks 50min en 28,8sec opschuiven van de getijcyclus bij.
getijkentering  (tij)kentering   De overgang van opkomend tij (vloed)  in afgaand tij (eb)  of omgekeerd, i.h.b. het dan aanwezige tijdvak van tot soms enkele uren met weinig tot geen stroming. Nader aangeduid met hoog­waterkering (HW-kentering)  en laagwaterkering (LW-kentering).
GHW   Gemiddeld(e) Hoogwater(stand). Gemiddelde van de gedurende een bepaald tijdvak gemeten hoogwater­standenΨ, dus mét (wind)opzet. Meestal opgegeven per decennium zoals vermeld in het door de Rijkswaterstaat uitgebrachte 'Tienjarig overzicht van waterhoogten, afvoeren en watertemperaturen'. Voorheen onder de koepel­benaming Gemeene Vloedhoogten ook wel opgegeven voor een jaargedeelte, bijvoorbeeld de tot Amsterdams Peil gepromoveerde Gemeene Zomervloedstand te Amsterdam.
  VlissingenHoekvHolland DenHelder Terschelling HarlingenDelfzijl
GHW in cm +NAP: 205 111 58 83 95 135
GLW   Gemiddeld(e) Laagwater(stand). Gemiddelde van de gedurende een bepaald tijdvak gemeten laagwater­standenΨ, dus inclusief windeffect. Meestal opgegeven per decennium volgens het door de Rijkswaterstaat uitgebrachte 'Tienjarig overzicht van waterhoogten, afvoeren en watertemperaturen'.
golfhoogte   Hoogteverschil tussen golftop en golfdal. Wordt meestal NIET opgegeven als gemiddelde van ALLE gedurende een tijdvak gepasseerde golfhoogten, maar als gemiddelde van het hoogste éénderde deel daarvan. Die zogenaamde significante golfhoogte Hs (of H1/3) geeft toe aan de visuele inschatting die – vooral gezien vanaf een slingerend schip – (veel) hoger uitvalt dan de gemeten gemiddelde golfhoogte, terwijl die op zijn beurt dus weer ruwweg het dubbele is van de vaak voor golfhoogte gehouden golftop-hoogte. Méér: Wikipedia
grenspeil   Gemiddeld eens per 2 jaar bereikte hoogwaterstandΨ, de ondergrens voor de benaming stormvloedΨ. Reeds tot een zodanige hoogte reikende (zomer)dijkjes zijn volgens de 'Wet van 1904 inzake het Ondernemen van Indijkingen en Droogmakerijen' voor verdere verhoging (annex verbreding) vrijgesteld van de vereiste van een concessie op grond van de overweging dat hun aanwezigheid het bedijkte gebied reeds binnendijkse eigen­schappen heeft bezorgd, met name voor wat betreft de verandering van zout naar zoet.
Vlissingen HoekvHolland DenHelderTerschelling Harlingen Delfzijl
Hoogten in cm +NAP 340 253 219248 295 340
havengetal (haventijd)   Tijdsduur vanaf de maandoorgang door de plaatselijke meridiaan (voor Nederland die van 5̊ ooster­lengte) tot het eerstvolgende hoogtij resp. laagtij (vermeld in het per decennium door de Rijkswaterstaat uitgegeven Tienjarig Overzicht van waterstanden etc.).
Vlissingen HoekvHolland IJmuidenDenHelder Harlingen Delfzijl
Tijdsduur in uur:min0:521:30 2:37 7:04 9:07 11:11
hoogtij(stand)  hoogwater(stand) HW   1. Bereikte hoogste getijstand (met windinvloed), 2. Berekende hoogste getijstand voor het astronomische getij  (d.i. zonder windinvloed), voor meerdere Nederlandse kustplaatsen op­vraagbaar via watersportalmanak. Als tegenwicht tegen het toenemend principieel verkeerd gebruiken van de benaming vloedΨ, verdient het voor de aan getij onderhevige kuststrook aanbeve­ling de benaming hoogtij(stand) toe te passen in plaats van het algemeen formele, ook voor rivieren toepasbare hoogwater(stand).
laagtij(stand)  laagwater(stand) LW   1. Bereikte laagste getijstand (met windinvloed), 2. Berekende laagste getijstand voor het astronomische getij  (d.i. zonder windinvloed), voor meerdere Nederlandse kustplaatsen op­vraagbaar via watersportalmanak. Als tegenwicht tegen het toenemend principieel verkeerd gebruiken van de benaming ebΨ, verdient het voor de aan getij onderhevige kuststrook aanbeve­ling de benaming laagtij(stand) toe te passen in plaats van het algemeen formele, ook voor rivieren toepasbare laagwater(stand).
MHW   Internationaal gebruikte afkorting voor Mean Highwater, het Nederlandse GHWΨ. Als afkorting voor Neder­land ook toegepast voor Maatgevende HoogWaterstand, maar ter vermijding van verwarring daarvoor beter ontwerppeilΨ gebruiken.
midden(zee)stand (gemiddelde zeestand)   Het midden tussen de (gemeten) hoog- en laagwaterstand, meestal opgegeven voor een bepaald tijdvak (zoals in het per decade door de Rijkswaterstaat uitgebrachte 10-jarig overzicht van de water­standen).
NAP   Afkorting van NORMAAL Amsterdams Peil, sinds 1891 de officiële benaming voor het hoogte-referentievlak dat vanaf 1875 vanuit Amsterdam over Nederland werd gewaterpast en dat in 1879 in Duitsland op dezelfde basis Normal Null deed invoeren. Zou zonder meer Amsterdams Peil zijn blijven heten als die waterpassing niet zulke grote verschillen met de uitkomsten van de (identiek startende) waterpassing van begin die eeuw te zien had gegeven, dat men elders in Nederland de nieuwe peilmerken NIEUW Amsterdams Peil was gaan noemen. Bovendien deed wantrouwen ten opzichte van de uitkomsten daarvan nog lang vasthouden aan regionale refe­rentieniveaus zoals het Fries Zomer- en Winterpeil voor binnenwater en daaraan gerelateerde objecten en aan volzee voor zeestanden c.a.
Omdat peilmerken (peilschalen e.d.) kunnen verzakken en ter verdere verbetering van de overbrenging, zijn sindsdien nog enkele landelijke waterpassingen uitgevoerd en op grond daarvan geringe bijstellingen, het laatst met enkele centimeters (deels ook het NAP zelf) in 2005. Uitgangspunt bleef de in 1683 bij de Haarlemmersluis ingebeitelde Gemeene Zomervloed­stand van de tot daar reikende open Zuiderzee, zo'n 17cm boven zijn middenstand.Ψ Daarbij is door overbrenging van dat hoogteniveau naar een 22m lange heipaal onder het Damplein de zetting van een zodanig pakket bovengrond geëlimineerd. Dat het NAP inmiddels ruim 10cm onder gemiddeld zeeniveau ligt, doet voor de inmiddels verstreken 330 jaar eenvoudig zo'n 30cm aan zee(spiegel)stijging becijferen (de afgelopen eeuw ongeveer de helft daarvan). Het NAP heeft vooral voor toepas­sing op zeestanden het nadeel van veel negatieve getallen, hetgeen andere Noordzeelanden een referentievlak zonder dat nadeel deed kiezen danwel daar op over doet stappen. Genoteerd volgens de aanbevolen schrijfwijze bevindt Nederlands laagste veldniveau zich bij Nieuwerkerk aan de IJssel op NAP —6,76m. Méér: Wikipedia en website fysisch geograaf Kwaad en voor uw postcode-terreinhoogte.
opzet   Ten opzichte van de voor getijtafels e.d. berekende (astronomische) waarden opgetreden verhoging van de zeestanden. Wordt vanwege het vaak grote aandeel van de wind vaak windopzet genoemd, daarbij dan voorbij­gaand aan het meermalen ook grote aandeel van luchtdruk en verhoogde rivierafvoeren.
springtij   Elke halve synodische maand (±14¾ dagen) optredende situatie met de voor dat tijdvak geldende extre­men van het (astronomische) getij:Ψ hoogste hoogtij, laagste laagtij, sterkste ebstroom, sterkste vloed­stroom. Manifesteert zich langs de Nederlandse kust ca. 2 dagen na nieuwe én volle maan met als regel dat het 'nieuwemaanse springtij' sterker is dan het 'vollemaanse springtij' en dat springtijen aan het begin van lente en herfst het sterkst zijn, maar bijkomende genererende factoren kunnen daar uitzonderingen op doen ontstaan. Wordt meestal onjuist verklaard
Doodtij wordt meestal verklaard als het dan door de zon tegenwerken van het primair door maan en aarde tot stand gebrachte getij,Ψ daarbij het in de maankwartierstanden - vanaf de aarde gezien - haaks op elkaar staan van maan en zon interpreterend als het uitoefenen van tegengestelde aantrekkingskrachten. De verklaring hoort m.i. te zijn dat de zon in die situatie nog niet bijdraagt aan getijversterking en dat vervolgens in voortdurend toenemende mate gaat doen tot het zich voordoen van springtij 14¾ dagen later. Méér: Wikipedia, info.nu, waarnemen.com, cursus Zeezeilen, duikvereniging.
Geluk bij het ongeluk van de stormvloedramp van 1 februari 1953 was dat die zich voordeed tijdens het voor die synodische maand laagste springtij (toen vollemaans want 30 januari was het volle maan) met bovendien de maan in het apogeum (in zijn ellipsvormige baan het verst van de aarde verwijderd), volgens de getijtafel resulterend in een ruim 40cm lagere hoogtijstand dan voor twee weken eerder of later berekend. Anders dan meestal beweerd droeg springtij toen nauwelijks bij aan de opzetΨ (evenmin hoge rivierafvoeren), maar was dat vrijwel volledig het werk van stormduur, -richting en -kracht. Benaming bij de buren: Du. springtide, Eng. springs, Fr. vive-eau. Etymologisch onverklaard >, mogelijk gerelateerd aan vaker voorkomen in lente (Eng. spring) of aan uitspringende waterstanden.
springvloed   1. Elke synodische maandhelft (±14¾ dagen) optredende vloedfase van springtijΨ; 2. Stormvloed van zelden optredende grootte met daaronder ook apocaliptische (zond)vloeden.
stormvloed   Volgens de officiële definitie elke vloed die hoger komt dan het (gemiddeld elke 2 jaar bereikte) grenspeilΨ. Wordt ingedeeld in de categorie laag, middelbaar, hoog, buitengewoon hoog resp. extreem door het gemiddeld eens per 2-10, 10-100, 100-1000, 1000-10000 jaar of nog zeldzamer voorkomen van de bereikte zeestand. Met voor zuidwest-Nederland een optreedkans van de waargenomen zeestanden van gemiddeld eens per circa 600 jaar, was de stormvloed van 1 februari 1953 Nederlands enige hoge stormvloed van de afgelopen eeuw.
tij   getijΨ.
veekmerk (veekrand, vloedmerk)  Door de vloed aangebrachte drijfvuilrand, in het bijzonder die op een zeedijk na een storm. Bevindt zich daarbij op de buitenkant en dan door golfwerking wat hoger dan de bereikte hoogwaterstand, dan­wel op de binnenkant door overlopen en overwaaien.
vloed (opkomend/wassend tij)   1.getijstijging; 2.daardoor veroorzaakte stroom(snelheid) zoals in de vloed dood­zeilen (niet vooruit komen) en voor vloed liggen; ter onderscheiding van eerste betekenis vooral door Vlamingen ook vloedstroom genoemd. Verdringt in toenemende mate de kennelijk te veel uitspreekmoeite kostende bena­ming hoogwater(stand), als ontwikkeling mogelijk door toepassing van hoogtij(stand) te keren. Bovendien valt in samenhang daarmee de verwarring tussen de werkelijk opgetreden en de in getijtafels voorspelde astronomi­sche hoogwaterstand weg te nemen door de laatste tafelhoogtij te gaan noe­men.
vloedstroom   Tijdens de vloedΨ optredende stroom of stroomsnelheid.
volzee   Hoogte-referentievlak dat langs de kust nog lang na de invoering van het NAPΨ in 1875 toegepast bleef, vooral ook doordat de verschillen daarvan met het eerdere AP aan de juistheid van de landelijk overgebrachte NAP-peilmerken deden twijfelen. Gewoon volzee was een bij zeesluizen aangegeven peil, berekend als tijdvak­gemiddelde van de tijdens de maankwartieren bij opkomend tij en bij 'gewoon' (nagenoeg windstil) weer geregi­streerde hoogtijstanden
Uit [Jaarsma,1933, p.195]: "Het peil van volzee is de gemiddelde of gewone hoogte, waarop het zeewater in gewone omstandigheden, ten tijde van kwartier maan, bij den vloed aan de kusten van ons Rijk en alzoo ook van deze provincie wordt waargenomen. Deze hoogte is uit een reeks van dagelijksche waarnemingen op te maken en aan al de zeesluizen van deze provincie door peilmerken aangeduid. Het peil of merk van volzee is geen waterpas vlak evenals het zomerpeil der provincie, gelijk dit uit den aard der zaak ook van zelven moet volgen, daar evenals de eb op de onderscheidene plaatsen der kust tot ongelijke diepte daalt, de vloed aldaar dagelijks ook tot verschillende hoogten boven het waterpasse vlak klimt."
Volgens opname 1872 'Gewoon Volzee' in meters t.o.v. NAP (incl. correctie NAP=0,24m +AP):
Zeesluis:Schoterzijl Lemmer Stavoren Workum MakkumHarlingen Roptazijl Ezumazijl Dokk.NwZijlen
Gewoon Volzee:0,16 – NAP 0,30 – NAP 0,18 +NAP 0,38 + NAP 0,50 + NAP 0,62 + NAP 0,54 + NAP 0,90 + NAP 1,04 + NAP
Behoorde door zijn basering op hoogtij-standen niet tot een waterpas vlak zoals bijvoorbeeld het eind 19e eeuw 1,34m hoger zijn van gewoon volzee te Dokkumer Nieuwe Zijlen dan te Lemmer illustreert (1,04m +NAP resp. 0,30m—NAP, d.w.z. dat de Zuiderzee toen bij Lemmer vrijwel nooit boven NAP kwam). Had naast nadelen ook voordelen ten opzichte van het NAP, voor een zeedijk bijvoorbeeld het direct voor ogen houden van het voor de(wind)opzetΨ nog beschikbare deel van de dijkhoogte.
wangetij  wantij   Ontmoetingsplaats van vloedstromen die als vertakkingen van dezelfde vloed na het volgen van verschillende banen uit tegengestelde richting komen, met name na ter weerszijden ronden van een eiland. Ontstaat bij het door de vloed vullen van de Waddenzee 'onder' de waddeneilanden op ongeveer tweederde van hun westkant, d.i. het westelijk gelegen zeegat. Doet daar een veel sedimentatie opleverend wandrochtig getij ontstaan, enkel bestaande uit de verticale getijcomponent d.i. zonder horizontale stroming. Wordt meestal korter gedefinieerd als 'gebied waar wel getij heerst, maar waar vrijwel geen stroom voorkomt', daarmee de benaming m.i. ten onrechte ook tot synoniem van havengetij makend.
windopzet   opzetΨ.
zeespiegel   Zeestand bij spiegelend oppervlak, dat wil zeggen bij windstil weer. Deed voor de wereldwijde stijging van het zeenveau de benaming zeespiegelstijging invoeren zonder daarmee ook maar iets toe te voegen aan de inmiddels opkomende en daarbij de tussenvorm zeeniveaustijging passerende benaming zeestijgingΨ. Dat naar analogie van het Duitse Meeresanstieg (ook Meeresspiegelanstieg) en het Engelse (onbekend met het woord seamirror) sealevelrise of searise zoals de website > getuigt.
zeestand (zeeniveau, zeespiegel)   Meestal bedoeld als midden(zee)standΨ. Kan betrekking hebben op kortere tijdvakken als het tekstverband dat oproept, maar dat dan normaliter wel met buitensluiting van golfwerking.